
Hondachtigen uit Afrika, Amerika en Azië
In dit artikel leert u kennis maken met verschillende hondachtigen, afkomstig uit Afrika, Amerika en Azië. In dit artikel zullen onder andere de fennek (Fennecus zerda), de jakhalswolf, manenwolf, wasbeerhond, de hyena en de grootoorvos behandeld worden. Naast deze soorten, maakt u ook kennis met nog enkele andere hondachtigen uit deze gebieden.
Fennek (Fennecus zerda)
Een leuk hondachtig diertje, de kleinste van zijn familie (de hondachtigen) is de fennek (Fennecus zerda), die leeft in zand- en berggebieden van Algerije en Tunesië, in Egypte, vooral in de Sinaï-woestijn, Nubië en Fezzan.Het is een wat gedrongen, maar toch wel fijngebouwd, 40 cm lang beestje op dunne, "halflange" poten, waaraan stevige nagels bevestigd zijn. De fennek heeft een vacht die de typische kleur heeft voor woestijndieren, bovenop geelachtig en op de buik is het dier witachtig. Vooral de okerkleurige staart is zeer dicht behaard en wel half zo lang als het lichaam.
Als de fennek gaat slapen, hurkt hij in elkaar en slaat zijn staart als een slaapmuts over zijn kop. Zijn brede kop eindigt in een dunne snuit. Zijn kop wordt verlevendigd door een stel grote ogen met ronde pupillen en twee brede oren die ongeveer even lang zijn als zijn kop. Dat wijst er al een beetje op dat de fennek het vooral van zijn ogen en gehoor moet hebben, hetgeen wel klopt met het feit dat hij een nachtjager is die voor het maken van buit aan een scherpe reuk alleen niet genoeg heeft. Zijn kleurkaart vul ik verder in door te vermelden dat zijn oren aan de buitenzijde bruin en van binnen wit zijn, en dat de ogen in een witte vlek liggen.
De fennek die, zoals al eerder gezegd, vooral 's nachts actief is, leeft en opereert in kleine groepen en graaft holen in hard, samengedrukt sand. Hij doet dit razendsnel, waarbij de graafbewegingen van de voorpoten met geen mogelijkheid te volgen zijn. Vervolgens watteert hij zijn hol met takjes, bladeren, haar en veren van geroofd wild en gevogelte. Dat doet hij om zich te beschermen tegen kou, waar hij maar slecht tegen kan. Overdag slaapt hij, om, wanneer de schaduwen snel langer worden uit zijn hol tevoorschijn te komen.
Het eerste wat de fennek dan doet, is op zoek gaan naar zijn drinkplaats die hij altijd voorzichtig en via omwegen pleegt te naderen. Nadat hij gedronken heeft, gaat hij op jacht en heeft het dan voorzien op kleine knaagdieren, hagedissen, vogels, vogeleieren en dadels van eventuele oase-aanplantingen. Als zo veel hondachtigen is hij - in dit geval wel met heel weinig moeite - tot huisdier om te vormen, waarbij hij zich volgzaam, sociaal en trouw aan zijn baas toont.
Jakhalswolf en manenwolf
Nog steeds niet is men het er in de wetenschappelijke wereld over eens waartoe we die bonte verzameling hondachtigen moeten rekenen die we gemakshalve de "Zuidamerikaanse vossen" noemen, tot de wolven, tot de jakhalzen of gewoon tot de vossen. Toch is men deze "dierenverzameling" gaan onderscheiden in twee geslachten:- Dusicyon
- Chrysocyon
De vertegenwoordigers van het geslacht Dusicyon zijn ongeveer 60 centimeter lange dieren met een staart die +/- 30 centimeter meet (een verhouding die we vaak tegenkomen bij hondachtigen). Naargelang hun vachtkleuren worden ze bosvos, Azara-hond, jaguar-pitango of grijze pampavos genoemd. De dieren leven in geheel Zuid-Amerika, van Brazilië tot de uitserste zuidgrens van Vuurland.
Voor het merendeel verzamelen deze hondachtigen zich in meutes (waarin ze dus op de wolven lijken), jagen ze op vrij grote dieren, maar nemen ze ook genoegen met kleinere zoogdieren, vogels, kikkers en kleine reptielen. Ze hebben echter ook wat weg van de hyena, doordat zij de grotere roofdieren volgen en dan profiteren van hetgeen deze van hun prooi overlaten. Verder zijn ze werkelijk "gek" op suikerriet en richten ze daarom in aanplantingen van dit gewas vaak grote schade aan.
Manenwolf (Chrysocyon jubatus)
Van het geslacht Chrysocyon is vooral de manenwolf (Chrysocyon jubatus) het bekendst. Het is een slank dier met sterk ontwikkelde poten. Hij is roodachtig behaard, maar donker-rossig of zwart op de poten en roodachtig in de nek. In de nek zijn de haren bovendien langer en vormen daardoor een soort manen, vandaar ook de naam manenwolf. De witte staartpunt die eigenlijk alleen bij de gewone huishond oorspronkelijk heet te zijn, doet vermoeden dat de manenwolf, evenals de eerder (in een ander artikel) besproken Australische dingo - die ook al een witte staartpunt heeft - tot de huishond in een, zij het verre, familiebetrekking staat.
Wasbeerhond (Nyctereutes procyonoides)
Een spitse snuit die doet denken aan die van de civetkat, en een korte, dicht behaarde staart welke aan de das doet denken, heeft de wasbeerhond of marterhond (Nyctereutes procyonoides) met zijn verhoudingsgewijs zware lichaam en korte poten.Hij komt voor in Oost-Siberië, in China en in Japan. In zijn vacht overheersen de kleuren grijs, geel en zwart, terwijl de kop en zijkanten van de hals lichter van tint zijn. Hij is klein, langer dan een halve meter wordt hij meestal niet. Zijn staart is bij die afmeting ongeveer 15 centimeter lang. In zijn goed verscholen hol brengt hij de dag slapend door, waarna hij pas bij het vallen van de avond op jacht gaat.
Zijn prooi bestaat uit kleine zoogdieren. Maar in het vissen is hij niet minder handig, waarbij zijn voortreffelijke zwemkunst hem goed te pas komt. Naast vlees en vis eet hij ook vruchten en rijpe bessen, die hij eveneens ergsmakelijk vindt. 's Zomers houdt hij zich het liefst op boven in de bergen; 's winters echter zakt hij af naar het warmere dal. Hij brengt het winterseizoen dan door in een toestand van half-winterslaap.
Wilde berghond, adjag, kolsum en de Zuidamerikaanse boshond
De wilde berghond (Cuon alpinus), is een hondachtige met wéér een andere gedragakarakteristiek. Hij leeft in geheel Azië, maar voornamelijk in de bwergwouden aan de bovenloop van de Jenissei. Het is een sierlijke, moedige, maar ook wel strijdlustige soort, die in meutes van een 10 tot 12 exemplaren onophoudelijk op herten en op reeën jaagt. Daardoor zijn deze dieren in sommige streken totaal uitgeroeid.Een tweede soort is de adjag (Cuon rutilans), wiens kop duidelijk verwantschap met de wolf verraadt, maar die zich verder toch gedraagt als een rustige hond. Hij leeft op Malakka en de Sunda Eilanden. Agressiever is weer de in de wouden, aande voet van de Himalaya, huizende kolsum (Cuon dukhunensis), die lange tijd voor een verwilderde hond werd gehouden en die herten, axissen en Nilgau-antilopen aanvalt. Naar inlanders beweren, deinzen deze honden zelfs niet terug voor tijgers, die ze dan in meute-verband omsingelen en aanvallen.
Tenslotte noem ik de in de wouden van Guyana en Brazilië levende Zuidamerikaanse Boshond (Speothos venaticus) van het geslacht Speothos waarover ik kort zal zijn, omdat men eigenlijk alleen maar van het dier weet dat hij zich tot grote meutes verzamelt en dan op vrij grote viervoeters jaagt.
Grootoorvos - a.k.a. lepelhond - (Otocyon megalotis)
De grootoorvos of lepelhond is een buitenbeentje onder de hondachtigen. Hij is namelijk in enkele belangrijke opzichten zo afwijkend van alle andere hondachtigen, dat hij zijn eigen geslacht en daarin zijn enige, eigen soort is. Officieel heet hij Otocyon megalotis.Hij heeft 46 tot 48 tanden en kiezen, een aantal dat in de wereld van de hondachtigen werkelijk een opmerkelijk feit is en bij geen enkel ander familielid wordt aangetroffen. De grootoorvos komt voor in Zuid-Afrika en iets ten noorden en noordoosten daarvan. Met zijn 60 centimeter lengte is hij middelmatig groot. Hij heeft een spitse snuit, kijkt slim uit zijn ogen en heeft grote oren. Hij heeft vrij grote poten en een in verhouding tot zijn lichaam meer dan een half maal zo lange staart, die dicht behaard is. Hij is gestoken in een grijsachtig-bruine en geel gevlekte vacht, die bij de staartinplant zwart is. Zwart is ook de kleur van zijn oren.
In paren levend in open gebied moet hij natuurlijk zeer op zijn tellen passen. Hij heeft zich dan ook ontwikkeld tot een oplettend, waakzaam en moeilijk te verrassen dier, dat in terrein met zo weinig dekking nie t veel anders overblijft dan bij gevaar te vluchten. Hij jaagt 's nachts op kleine dieren en huilt daarbij als een hyena. Hij eet graag sprinkhanen waarvan hij de zwermen bij hun trek volgt.
Hyena (Crocuta crocuta)
Een overgangsvorm tussen de hondachtigen wier typische gebit hij heeft en de hyena-achtigen waarvan hij de vier tenen bezit (de hondachtigen vijf), is de hyenahond (Lycaon pictus). Deze soort kwam vroeger in grote getale voor op het Zuidafrikaanse vasteland. Het is een woeste, bloeddorstige jager die om die reden ter plaatse uitgeroeid of naar ontoegankelijk, dan wel ongekoloniseerde, gebieden is teruggedrongen.Zijn temperament uit zich volop tijdens de jacht, wanneer hij in meuteverband van wel 40 tot 50 exemplaren een prooi achtervolgt. Zelfs op hun topsnelheid geven deze dieren blijk van een uitzonderlijk uithoudingsvermogen. Achternagezeten gazellen en antilopen, die toch tot de snelsten in het dierenrijk behoren, kunnen nog zo rap wegrennen, de hyenahonden zullen hen door hun grotere utihoudingsvermogen bijna altijd te pakken krijgen. Eenmaal tot staan gebracht, zullen de achtervolgde dieren weinig met hun overigens scherpe horens kunnen uitrichten. Misschien rijten ze een van de aanvallers nog wel de buik open, maar binnen de kortste tijd is de uitgeputte prooi door de meute besprongen en verslonden.
Stuit een meute op een hele kudde, hetzij een kudde schapen, hetzij een wildkudde, ook dan is er geen houden meer aan en vliegen de hyenahonden er als wolven op af. Ze doden dan veel meer dan ze op kunnen. Nog triester doet deze zucht tot doden aan als men bedenkt dat de hyenahonden daarbij vaak alleen maar van de ingewanden van de gedode dieren eten en de lichamen verder onaangeroerd laten liggen, overgeleverd aande vuilnislui van de wildernis: de hyena's, jakhalzen en gieren. © 2008 - 2009 Hikari, gepubliceerd in Dieren (Dier en Natuur) op 25-02-2008, laatst gewijzigd op 07-07-2008. Het auteursrecht van dit artikel ligt bij de infoteur. Zonder toestemming van Hikari is vermenigvuldiging van dit artikel verboden. Meer...
Verwante artikelen
- Familie van de Hondachtigen (Canidae): Zoals u misschien al wel weet, is 'de hond' niet de enige soort die wordt ondergebracht in de familie van de hondachtigen. De Latijnse benaming voor deze familie luidt:…
- De gevlekte Hyena: Dankzij zijn lichaamsbouw en jachttechnieken lijken de hyena's voornamelijk op een hondachtige. Toch is de hyena nauwe verwant aan de civetkat (klein roofdier). De gevlekte hyena is de mee…
- De Woestijnvos of Fennek: Ik werd gecharmeerd door dit diertje toen ik een dichter ontmoette met de naam Fennek. Het diertje zelf kende ik niet (een mens legt niet meteen linken) maar nieuwsgierig als ik ben…
- Buidelwolf of Tasmaanse tijger: Artikel over de op Tasmanië levende buidelwolf of Tasmaanse tijger (Thylacinus cynocephalus), die vermoedelijk is uitgestorven in de jaren 30.
- De coyote en de carasissi: In dit artikel zal aandacht besteed worden aan de coyote (Canis latrans) en de carasissi (Canis cancrivorus). Aangezien de meningen verschillen over het plaatsen van de coyote en c…

Reageer op het artikel "Hondachtigen uit Afrika, Amerika en Azië"

Door Ward op 25-04-2008
Hey ik houd mijn spreekbeurt over vossen schatige dieren ik ben ward een jongen van 11 jaar Reactie infoteur op 02-05-2009:Succes met je spreekbeurt!
Door Peronista (infoteur) op 25-02-2008Hoi Hikari,
Mooi artikel. Ik vind het prachtig dat je altijd zo lekker uigebreidt schrijft. Ga zo door!

