De ransuil, vaak dichterbij dan u denkt
De ransuil (Asio otus) is een van de zes in Nederland voorkomende soorten uilen. Naast de ransuil komen in Nederland ook de steenuil, kerkuil, velduil, bosuil en oehoe voor. Het gaat niet zo goed met de ransuil. De populatie is de laatste jaren aan het afnemen. Het is niet helemaal duidelijk welke oorzaken hier aan ten grondslag liggen. De ransuil is een nachtdier en dus tref je deze vogel overdag niet vliegend aan. Wat zijn nu de typische kenmerken van de ransuil, welke biotoopvoorkeur heeft hij en hoe gaat het met deze soort.Kenmerken
Een van de belangrijkste kenmerken van de ransuil zijn de ‘oren’. Deze lange pluimen kan de uil rechtop zetten. Dit rechtop zetten zien we als de uil alert is bij onraad. Op foto’s is deze uil bijna altijd met zijn oorpluimen rechtop te zien. Hij heeft dan een oogje op de fotograaf. Er is dan sprake van een klein alarm en zijn oorpluimen staan dan recht omhoog. Gewoon in de rust en tijdens de vlucht zijn de oorpluimen niet te zien. Overigens hebben deze oorpluimen helemaal niets met de oren te maken. De echte oren liggen veel lager in de kop en zijn niet zichtbaar. De vogel heeft een lengte van ruim 35 cm. De spanwijdte van de vleugels bedraagt 84 tot 95 cm. De vogel wordt door mensen die minder goed bekend zijn met vogels ook wel eens verward met de oehoe, eveneens een uil met ‘oren’, maar de oehoe is veel groter. Deze heeft een lengte van 60 tot 75 cm en de spanwijdte van de vleugels bedraagt maar liefst 1,4 tot 1,7 meter! De Nederlandse ransuil is een standvogel. De jongen verplaatsen zich wel als ze zelfstandig worden, maar veelal blijft de verplaatsing beperkt binnen een straal van 250 km. De roep van de mannetjes ransuil is een zwaar ‘oe-oe-oe’ geluid en is soms tot op een kilometer te horen. Het vrouwtje beantwoord dit met een nasale ‘oe’ klanken. Als ze opgewonden zijn laten zowel het mannetje als vrouwtje keffende ‘wek-wek-wek’ geluiden horen.Verspreiding
De ransuil heeft een zeer ruim verspreidingsgebied. De soort komt voor in de gematigde streken van Eurazië, Noord-Afrika en Noord-Amerika.Biotoop
De ransuil heeft een voorkeur voor een open landschap met kleinere bosjes, bosranden, singels, heggen, houtwallen. Als daarbij naaldbomen aanwezig zijn geeft hij daaraan de voorkeur boven loofhoutpercelen.Voortplanting
Soms al laat in de winter, februari, vangt het voortplantingsseizoen aan. De voorkeur voor een nestlocatie ligt bij nesten van andere vogels zoals die van eksters, kraaien en de buizerd. Deze worden al laat in de winter gezocht. Hierbij kan het tot nestconcurrentie komen met de torenvalk die eveneens dergelijke oude nesten zoekt. De strijd om het nest wordt ‘gewonnen’ door het paar die het eerste een ei legt. Het vrouwtje verlaat dan het nest niet meer en daarmee is de strijd beslecht.De ransuil zoekt in de regel wat minder hoge nesten dan de torenvalk. Er is mogelijk een verband met streken waar maar weinig kraaien voorkomen en het aantal ransuilen. Het gebrek aan kraaiennesten maakt ook dergelijke gebieden minder aantrekkelijk voor de ransuil. Gewoonlijk worden er drie tot zes eieren gelegd met tussenpozen van twee dagen. Het broeden begint na het leggen van het eerste ei. De broedduur bedraagt 27-28 dagen. De jongen hebben een wit donskleed. Het nest wordt op een leeftijd van drie tot vier weken verlaten. De eerste week klimmen de jongen in de takken rond en eerste met vijf weken zijn ze vliegvlug. De pas uitgevlogen jongen dragen nog veel dons mee, ze worden ook wel takkelingen genoemd. Na het uitvliegen worden de jongen nog vier tot vijf weken door de ouders verzorgd. Een enkele keer kan een tweede broedsel voorkomen. In tegenstelling tot de oudervogels die zich zeer onopvallend gedragen, zijn de jongen vaak zeer luidruchtig door hun klagend bedelgeroep wat soms lijkt op het openen van een grote deur met roestige scharnieren. Het zijn rauwe kreten en geschreeuw die toevallige voorbijgangers behoorlijk aan het schrikken kunnen maken.
Voedsel
De voornaamste prooi van de ransuil zijn kleine woelmuizen. In West-Europa zijn dat vooral veldmuizen. Maar ook kleinere gewervelde dieren als mollen, ratten, vogels en konijntjes staan op het menu terwijl ook grotere insecten worden gegeten.De ransuil jaagt zowel in de vlucht als van een uitkijkpost.