Paarden: algemeen kreupelheidsonderzoek
Het kan de besten overkomen: op een dag haal je je paard uit zijn stal en merkt dat hij wat meer moeite heeft om mee te komen en een droevigere indruk maakt. Wanneer je je paard beter bekijkt, zie je dat het dier pijn heeft en hinkt. Je paard is kreupel. Wanneer deze kreupelheid na enkele dagen niet over gegaan is, is het verstandig een dierenarts in te schakelen voor een algemeen kreupelheidsonderzoek.
De eigenaar van een paard speelt een belangrijke rol in de gezondheid van een paard, waar dus ook de zorg voor een pijnloze en gezonde beweging onder valt. Een goede
training van het dier en regelmatige, zorgvuldige controle verkleint de kans op kreupelheid enorm. Desondanks kan het voor komen dat een paard op een dag kreupel uit de stal of het weiland komt. De meeste kreupelheden gaan met een aantal dagen
rust vanzelf over. Er zijn echter ook kreupelheden die niet vanzelf over gaan en waar het verstandig is de hulp van een dierenarts in te roepen. Door de
complexe anatomie van de spieren, pezen en botten van het paard is het niet eenvoudig de locatie van de bron van de kreupelheid vast te stellen, en daarmee een geschikte behandeling en uiteindelijk revalidatie.
Anamnese of voorgeschiedenis
Een goed algemeen kreupelheidsonderzoek begint met het vaststellen van een anamnese, ook wel de voorgeschiedenis van het paard met betrekking tot de kreupelheid. Wanneer is de kreupelheid ontstaan? Heeft het dier de dag/het moment voor de beginselen van de kreupelheid training gehad? Waar bestond deze uit? Hoe is de algemene conditie van het paard? Hoe is de beenstand van het dier? Zijn er plaatselijke verdikkingen/zwellingen op het lichaam van het paard te bespeuren? Is het paard eerder kreupel geweest? Hoe is de bespiering van het dier? Staat het paard recht op zijn benen of belast het een deel van het lichaam sterker of juist lichter?
Met behulp van onder meer deze vragen probeert de dierenarts een algemeen beeld van het paard te creëren, een context waartegen de huidige klachten afgezet kunnen worden.
Palpatie en percussie
De dierenarts zal het paard over het gehele lichaam gaan controleren op zwellingen, verdikkingen, wonden en warmere plekken. Dit wordt
palpatie genoemd. De dierenarts zal tevens met een hamertje of de zijkant van de hand op de gewrichten van het dier tikken om de pijnlijke plek te lokaliseren. Dit wordt
percussie genoemd.
Monsteren
Wanneer er op het eerste gezicht geen verwondingen, verdikkingen of verwarmde plekken bij het paard gevonden worden zal de dierenarts in de meeste gevallen vragen of je het paard aan een lange lijn op een harde en vlakke ondergrond kan laten draven aan de hand. Dit wordt
monsteren genoemd. Men laat het paard zonder beschermingsmiddelen als peesklappen, bandages en dergelijke draven en ook de dekens en het hoofdstel/zadel wordt afgedaan/afgelaten. Het paard wordt aan een losse longeerlijn gehouden, zodat het voldoende
bewegingsvrijheid heeft.
Kreupelheid
Wanneer een paard kreupel is zal het in alle gangen, maar het duidelijkst zichtbaar in de
draf, een
afwijkend ritme en patroon in de beweging vertonen. Een paard dat bijvoorbeeld pijn heeft in het linkervoorbeen zal dit been proberen te ontlasten en daarom het rechtervoorbeen relatief meer belasten. Hierdoor zal het lijken alsof het paard pijn heeft aan het rechtervoorbeen, terwijl het dus eigenlijk het linkervoorbeen is. Wanneer het paard het pijnlijke been toch belast zal het - wanneer dit been de grond raakt - het hoofd en de hals optillen en het hoofd laten zakken wanneer het gezonde been de grond weer raakt.
Buigproef
Het is vaak erg lastig de exacte lokatie van de bron van kreupelheid te ontdekken. Een
buigproef kan helpen bij het lokaliseren hiervan. Tevens kan de buigproef gebruikt worden om nog niet direct zichtbare
zwakke plekken in de benen van het dier op te sporen. De buigproef is dan ook een onderdeel van de
klinische keuring van een paard welke aangeraden wordt om uit te laten voeren wanneer je een paard aan wilt schaffen.
Bij een buigproef wordt een deel van het paardenbeen gedurende 60 seconden vast gehouden. Hierna laat men het paard direct wegdraven. De eerste paar passen mogen hierbij iets afwijkend zijn, maar daarna moeten de passen regelmatig en ritmisch zijn. Wanneer de onregelmatigheid meerdere (of zelfs alle) passen aanhoudt kan dit een aanwijzing zijn dat er een mogelijk probleem bij dit been te vinden is.
De wigproef
De wigproef is een andere test die gebruikt wordt om zwakke plekken in een paardenbeen aan te tonen. Bij de
wigproef wordt het paardenbeen met de voorkant van de ondervoet op een wig of
liggende bezemsteel gezet. Dit wordt net als bij de buigproef 60 seconden volgehouden waarna het dier wederom direct weg moet draven, waarbij op dezelfde factoren wordt gelet als bij de buigproef.
Lokale verdoving
In sommige gevallen zijn een buigproef en globaal onderzoek niet afdoende. Men kan dan besluiten plaatselijk te verdoven waardoor men een bepaald deel van het paardenbeen gevoelloos maakt. Hierdoor kan men gemakkelijker bepalen in welk deel van het paardenbeen de kreupelheid zich bevindt. Men injecteert eerst zo laag mogelijk in het paardenbeen en werkt langzaam omhoog. Wanneer de bron van de kreupelheid geraakt wordt zal het dier niet meer kreupel lopen.
Vervolgtraject
Wanneer de lokatie van de kreupelheid gevonden is kan men starten met een
behandeling of het dier aan een
vervolgonderzoek onderwerpen. Voor welke optie gekozen wordt is onder meer afhankelijk van de ernst van de kreupelheid, de lokatie van de kreupelheid, de frequentie van de kreupelheid (is deze soort kreupelheid een regelmatig terugkerend euvel of niet?), de algemene conditie van het dier en niet onbelangrijk: de portomonnee van de eigenaar.
Een vervolgonderzoek wordt sterk aangeraden wanneer men geen grip op de bron van de kreupelheid kan krijgen. Diverse andere problemen, zoals
rugproblemen, kunnen zich namelijk manifesteren in kreupelheid, terwijl met de benen van het dier an sich dus niets mis is. Zorg ervoor dat je precies weet wat je paard mankeert alvorens je aan een specifieke behandeling begint.