De geschiedenis van de evolutie (530-250 Ma)
Evolutie, het verschijnsel ontdekt door Charles Darwin, begon zo’n 3,2 tot 3,8 miljard jaar geleden. Onze planeet heeft hierdoor een uitgebreide geschiedenis van verschillende wezens, van de kleinste bacteriën tot ons. Maar wat voor wezens zaten er dan tussen de bacterie en de mens? Hoe ontstonden de reptielen en de zoogdieren?
In dit artikel wordt niet verteld over wat er vóór het Phanerozoïcum gebeurde. Het Phanerozoïcum is een eon. Een eon is onderverdeeld in era’s, een era weer in periodes. Met het Phanerozoïcum begon het moderne leven. We leven dan ook nog steeds in dit eon. Vóór het Phanerozoïcum was er al lang leven, maar dat waren kleine bacteriën en die zijn vaak minder interessant voor het grote publiek. Met het Phanerozoïcum begon een era genaamd Paleozoïcum. Hier beginnen we dus, de eerste periode van het Paleozoïcum, het Cambrium. Zie hier een
geologisch tijdvak. Dit artikel gaat over de evolutie tussen 530 en 250 Ma (miljoen jaar geleden).
Cambrium
530 miljoen jaar geleden vond er in het Cambrium een explosie van meercellig leven plaats. Opeens begonnen de dieren en planten het land te koloniseren en ontstonden grote dieren in het water. Wat deze plotselinge “baby boom” aan nieuwe soorten veroorzaakte, is nog steeds niet zeker. Dit was de tijd van verandering. Dieren kregen ogen en botten. Naast een hele hoop andere zeedieren ontstonden nu de vissen. Zij zijn onze voorouders.
Siluur
In een periode daarna, het Siluur (het Ordovicium wordt even overgeslagen) ontstonden de eerste echte planten en grote dieren. Ook was er nu leven op het land. Er was nog maar weinig zuurstof in de atmosfeer en heel veel koolstofdioxide. Wij zouden er niet kunnen ademen. Maar er waren bepaalde geleedpotigen (vooral schorpioenen) die dat wel konden, op het land én in het water. Belangrijk om hieraan op te merken is dat de primitieve longen van de geleedpotigen afhankelijk zijn van de hoeveelheid zuurstof. Ze kunnen niet in en uit ademen. Dit is waarom insecten en spinnen groter zijn als er meer zuurstof is.
Devoon
416 miljoen jaar geleden begon het Devoon. Er ontstonden haaien en spinnen. Maar nog veel belangrijker, onze voorouders (de vissen) evolueerden door. En een gedeelte van hen veroorzaakte een belangrijke mijlpaal in onze evolutie, de amfibieën kropen het land op. Er waren nu bomen, en de wereld van onze verre voorouders was bedekt met gigantische bossen. De lucht werd steeds rijker aan zuurstof, maar de geleedpotigen konden uit de lucht toch minder zuurstof halen dan uit het water, waardoor ze nu kleiner waren. De amfibieën waren wel groot en sterk (1-2 meter), maar gigantische roofvissen waren de toproofdieren in het Devoon. Amfibieën hebben namelijk een enorm zwak punt. Ze moeten hun huid vochtig houden, waardoor ze steeds terug moeten keren naar het water.
Carboon
In de periode na het Devoon, het Carboon, hebben de amfibieën dit probleem opgelost. Zij moesten namelijk altijd hun eieren in het water leggen, wat gevaarlijk was. Maar in het Carboon was veel kikkerdril vervangen door eieren met een harde schaal. Die konden daarom op het land worden gelegd. De amfibieën werden geboren zonder kieuwen en volledig ontwikkeld, waardoor het nu reptielen waren.
In het Carboon was er 40% meer zuurstof dan nu. De toproofdieren waren daarom gigantische insecten. Er waren veel moerasbossen, en door de extreme concentratie zuurstof vonden er vaak bosbranden plaats. De reptielen hadden een nieuw soort hart ontwikkeld, een sterke bloedpomp die wij later zouden erven. De overgebleven amfibieën waren nu roofdieren, hoewel de geleedpotigen de bossen domineerden. Maar toen het klimaat droger werd, waren het de reptielen die de macht grepen.
Perm
Dit is de laatste periode van het Paleozoïcum. De wereld was in de greep van extreme seizoenen en van de reptielen. De toproofdieren waren reptielen en hun prooi ook. Dimetrodon was een veel voorkomende carnivoor. Kenmerkend was zijn zeil, een grote kam op zijn rug die hem meer controle gaf over zijn lichaamstemperatuur. Reptielen zijn namelijk koudbloedig en kunnen zichzelf niet op temperatuur houden zoals zoogdieren dat kunnen. Dimetrodon was echter niet zomaar een reptiel, hij behoorde tot de Synapsida en wordt daarom traditioneel een zoogdierreptiel genoemd. Veel wezens in het Perm behoorden tot deze groep zoogdierachtige reptielen en daarmee tot onze voorouders. Later werden zij meer een soort van reptielachtige zoogdieren. Dit is vooral te zien in het latere Perm.
251 miljoen jaar geleden vond de derde massa-uitsterving plaats, de Perm-Trias massa-extinctie, de grootste ooit. Een massa-uitsterving betekent het uitsterven van een enorm aantal soorten, en vormt meestal het begin van een nieuw tijdperk. Eerdere massa uitstervingen waren vonden plaats tussen de volgende periodes: Ordovicium-Siluur en Devoon-Carboon. De Perm-Trias massa-extinctie duidt het einde aan van de Paleozoïcum era.
Alle continenten waren samengekomen in één groot eiland, Pangea. In het midden hiervan lag de grootste woestijn ooit. Er waren veel half zoogdieren/half reptielen, en kleine slagtanden waren de mode. Wat het uitsterven precies veroorzaakte is niet zeker, hoewel er in de buurt van Australië een inslagkrater is gevonden van een meteoriet die de verklaring zou kunnen zijn.
En zo eindigde de eerste era van de vierde eon. Zoogdieren bestonden nog niet, maar veel reptielen begonnen wel steeds meer op zoogdieren te lijken. Na het Paleozoïcum volgt het Mesozoïcum, de era van de Dinosauriërs. Hierover meer in mijn volgende artikel.