Dieren en Hoorn

De neushoorn; een dier met oerkracht

Neushoorns zijn indrukwekkende dieren met een ongelofelijke oerkracht. Dit artikel staat geheel in het teken van de neushoorn. Hoe het dier leeft, welke soorten er zijn, met welke bedreigingen de neushoorn te maken heeft, hoe de neushoorn zich verdedigd en nog veel meer. Bij vragen en/of opmerkingen, kunt u onderaan dit artikel natuurlijk een reactie plaatsen.


Neushoorns

Sommigen geloven dat met de eenhoorn de neushoorn met zijn oerkracht wordt bedoeld. Want de neushoorn is het levende bewijs dat brute kracht kan overleven zonder - of bijna zonder - dat er intelligentie aan te pas hoeft te komen. Tenminste, tot aan de uitvinding van het geweer waarmee men een explosieve kogel kon afschieten, een kogel die in het lichaam ontploft.

De herseninhoud van de neushoorn is vrij klein. Maar spieren en beenderen zijn er overvloedig aanwezig. Hij schiet als een pijl uit een boog af op alles wat zich vóór hem bevindt. Dit kan een mens zijn, maar net zo goed een boom of een trein. Is hij kwaadaardig, of is hij alleen maar een oude, norse vegetariër die niet bij de spijsvertering gestoord wenst te worden, zoals sommigen beweren? Dit is nog geen uitgemaakte zaak. Van de grote zoogdieren is de neushoorn of rinoceros de grote eenling: tussen de mens en hem bestaat geen enkele band. Tussen de boer en zijn paard, tussen de Arabier en zijn kameel, tussen de beer en de straatzanger, tussen de leeuw en zijn temmer, tussen de olifant en zijn "mahut", tussen de volbloed en zijn jockey, bij al deze dieren bestaat toch een zekere band met de mens. Ze verstaan elkaar met een soort taal zonder woorden, een uitdrukking van gevoelens. Maar de neushoorn kan men alleen maar snel uit de weg gaan.

Familie van de neushoorn (Rhinocerotidae)

Een dier dat snel kwaad is
De neushoorns - na de olifanten de grootste dieren die op het land leven - vormen de familie van de Rhinocerotidae, uit de orde van de onevenhoevigen (Perissodactyla). Tegenwoordig kan men de neushoorns indelen in vier geslachten, die samen vijf soorten omvatten.

Tot het geslacht Ceratotherium (in het Grieks: gehoornd wild dier) behoort het grootste exemplaar van de familie. Dat is de witte neushoorn (Ceratotherium simus) die twee hoorns heeft. Tot het geslacht Diceros (in het Grieks: twee hoorns) behoort de zwarte neushoorn (Diceros bicornis). Deze zwarte neushoorn is eveneens tweehoornig en komt het veelvuldigst voor. Tot het geslacht Rhinoceros (in het Grieks: neushoorn) behoren de Indische neushoorn (Rhinoceros unicornis) en de Javaanse neushoorn (Rhinoceros sondaicus), die ook wel de Soendaneushoorn wordt genoemd. Deze twee soorten hebben slechts één hoorn. De kleinste vertegenwoordiger van de familie tenslotte is de tweehoornige Sumatraanse neushoorn, die tot het geslacht Dicerorhinus (in het Grieks: tweehoorn-neus) behoort.

Groot, zwaar en enorm sterk als ze zijn, hebben de neushoorns een skelete van hetzelfde type als dat van de olifanten. Een ruggegraat bevat lange zenuwvertakkingen die tot in de voorpoten doorlopen. Het aantal ribben is zeer groot. Deze lopen door tot aan de bekkengordel. De beenderen van het heupbeen zijn breed en liggen bijna verticaal.

De grote zware kop is bij de schedel smal en kort en bevat weinig hersenen. De snuit is zeer lang. De hoorn (of hoorns) - al naar gelang de soort - zijn in werkelijkheid geen echte hoorns. Ze bestaan uit een geheel van vezels die netjes op elkaar zijn 'geplakt'. Zo'n hoorn is in wezen gewoon een bundel haren, te vergelijken met onze nagels en haren. De hoorns steunen op uitsteeksels van been, maar ze zijn er niet aan vastgegroeid.

De zeer harde en dikke huid, waar bijna geen haren op zitten, bestaat bij sommige soorten uit platen, die gescheiden worden door diepe plooien. De ledematen zijn in vergelijking tot de afmetingen van het lichaam betrekkelijk slank. De kracht om zich te verplaatsen ontleent het dier vooral aan zijn achterpoten. De poten eindigen in drie tenen, die voorzien zijn van hoefvormige nagels. Deze tenen komen overeen met de tweede, derde en vierde teen van andere zoogdieren. Het lichaamsgewicht rust op een derde teen, zoals de sporen duidelijk uitwijzen. De neushoorn is geen telganger, maar heft tegelijkertijd met een voorpoot de achterpoot van de tegenovergestelde zijde op. De neushoorn kan lange tijd blijven draven. Daarbij is hij ook een zeer bedreven zwemmer, hoewel hij liever op het land blijft. Toch zijn er verhalen dat hij naar de bodem van moerassen en rivieren duikt om er de wortels los te rukken, waarmee hij zich voedt. Men heeft berekend dat hij bijna 300 kilo aan plantaardig voedsel per week verslindt. Zijn stemgeluid is een dof geknor en als hij kwaad is, laat hij een luid gesnuif horen.

Het gebit verschilt van soort tot soort. De Aziatische neushoorns hebben vier snijtanden, acht onechte kiezen en zes echte kiezen in de bovenkaak en evenveel in de onderkaak. Dit is een totaal van 36 tanden. De Afrikaanse soorten daarentegen hebben alleen onechte kiezen en zes echte kiezen, in totaal 28 kiezen.

Het gehoor en de reuk van de neushoorn zijn sterk ontwikkeld, maar zijn gezicht is daarentegen maar middelmatig. De neushoorn merkt het minste geruis en de flauwste geur op, maar hij is zo bijziend dat hij niet verder ziet dan 30 meter.

De neushoorn wordt beschouwd als een dom dier dat gemakkelijk in woede ontsteekt en een kwaadaardig karakter heeft. Inderdaad is zijn intelligentie maar gering en kan hij zonder duidelijke beweegredenen onverhoeds aanvallen. Niet alle soorten gedragen zich gelijk. Van de Aziatische soorten wordt de Indische neushoorn als een kwaadaardig dier beschouwd, maar de Javaanse neushoorn zou zeer vreedaam zijn, evenals de Sumatraanse neushoorn. In Afrika wordt de neushoorn gezien als het meest woeste dier van alle dieren die er leven, terwijl de witte neushoorn toch als onschuldig beschouwd wordt.

Het meest bijzondere van de neushoonrs is waarschijnlijk wel het feit dat ze nóg bestaan. Hun uiterlijk heeft veel weg van dieren uit de oudheid. Ook een merkwaardig feit is, dat ze niet alleen verwant zijn aan de tapirs, maar ook aan de paarden. In het verleden bestonden er dan ook paarden met drie tenen (zoals de neushoorns dat tegenwoordig hebben) en neushoorns met vrij lange poten en een slanke hals.

Hoornleeuw

Dat de Egyptenaren uit de oudheid de neushoorn al kenden, blijkt uit de afbeeldingen op enkele monumenten uit het oude Egypte. Ook worden de neushoorns in de bijbel genoemd. De neushoorn werd met dezelfde naam aangeduid als de olifant. Dit was waarschijnlijk vanwege de twee hoorns van de neushoorn, die de indruk maakten van slagtanden. Volgens de Romeinse geschiedschrijver Plinius de Oude werd de neushoorn door Pompeius naar Rome gebracht in het jaar 61 na Christus, voor circusgevechten. Plinius zegt hierbij ook:
,,De neushoorn is de geboren vijand van de olifant. Hij slijpt zijn hoorn aan een steen en in een gevecht probeert hij de buik te raken, omdat hij weet dat deze zacht is. Zo kan hij de olifant doden."

Inderdaad lieten de keizers Augustus, Antonius en Heliogabalus neushoorns tegen olifanten en ook wel tegen nijlpaarden vechten in de circussen. Marco Polo zag de neushoorn op Sumatra en noemde hem in zijn beschrijving ,,hoornleeuw''. In 1513 kreeg de koning van Portugal een levende neushoorn uit Indië. De ongewone gast werd enige tijd tentoongesteld voor het Lissabonse publiek. Vele tekenaars maakten een schets van het dier en voegden - naar de gewoonte van die tijd - wat fantasieën aan de tekening toe.

Naar het voorbeeld van deze onnauwkeurige tekeningen maakte de beroemde graveur Albrecht Dürer een houtsnede, die twee eeuwen lang de enige bekende afbeelding van de neushoorn was in Europa. De natuuronderzoeker Conrad Gesner gebruikte deze ets om zijn werk Historiae Animalium te verluchten, dat in 1551 in Zürich werd uitgegeven. Kort na 1700 schetste Chardin een neushoorn die hij gezien had bij de Perzische stad Isfahan. In 1815 maakte Huet een weinig waarheidsgetrouwe tekening, waarvan men het perkament bewaart in de museumbibliotheek van Parijs.

Aanval zonder uitdaging

Het gevaarlijke van de neushoorn blijft het feit dat hij ook onvoorzien in de aanval gaat, zonder dat er sprake is van een uitdaging. Soms valt hij zelfs bomen aan. Even onverwacht als hij in woede uitbarst, zo onverwacht is diezelfde woede ook weer uitgeblust. Toch is het niet onwaarschijnlijk dat de aanval zijn reden vindt in de een of andere verstoring van de natuurlijke omgeving van de neushoorn of door iets wat hij dénkt te zien, omdat hij een slecht gezichtsvermogen heeft en weinig intelligentie. In ieder geval blijkt dat er weinig voor nodig is om het dier met zijn simpele ziel in beweging te brengen.

De deskundige L.S.B. Leakey meldt, dat hij verschillende malen onverwacht is aangevallen door een neushoorn, die naar het scheen zonder motief of uitdaging in woede was ontstoken. Maar dikwijls bracht een aandachtiger beschouwing van de omstandigheden aan het licht, dat er wel degelijk een reden was waarom de neushoorn uiting gaf aan zijn woede. Eenmaal werd Leakey op een bospad door een neushoorn aangevallen. De aanval was zo plotseling, dat hij nauwelijks tijd had om zijn geweer aan te leggen en te schieten. Achteraf bemerkte hij dat de neushoorn al eerder door een kogel getroffen was in de schouder. Zijn wantrouwen jegens de mens was dus niet ongerechtvaardigd. Een andere keer, toen hij met een auto over een bospad reed, vond hij zijn weg verspred door een mannetjes-neushoorn. Na een poosje drentelde deze van het pad af. Nauwelijks had de auto zich in beweging gezet, toen er opeens een vrouwtjes-neushoorn in de aanval ging. Alleen door snel weg te rijden, slaagde hij erin een botsing te vermijden. Enkele meters verderop stond achter een struik een jong. De aanval van de moeder was kennelijk als bescherming van haar jong bedoeld geweest.

Neushoorns in de aanval

Het feit dat neushoorns in de aanval gaan zodra iets ongewoons de omstandigheden waarin hij leeft verstoort, heeft in Afrika voor eigenaardige voorvallen gezorgd. Een ingenieur die straten en bruggen aanlegde in Kenia kwam in moeilijkheden omdat hij het grootste deel van zijn vrachtwagens verloor door aanvallen van neushoorns. Opgehitst door de ongewone geur van brandstof, bestormden de beesten de auto's. Als een auto rijdt, is het vrij gemakkelijk de neushoorn te ontkomen, omdat hij altijd in een rechte lijn aanvalt. Maar als de auto stilstaat, werpt hij die om en verwoest hem totaal. De kracht van een neushoorn in de aanval heeft hetzelfde gevolg als wanneer een kleine auto ergens tegenaan botst met een snelheid van 45 kilometer per uur.

Ook treinen worden soms blindelings door neushoorns aangevallen. In Oeganda bestormde een neushoorn eens een spoorwagon van opzij. Dit leverde een grote schok op en een ernstige schadepost voor de spoorwegen. Het dier dat op zijn knieën terecht was gekomen, richtte zich na enige tijd weer op en drentelde kalm en waardig naar het bos terug.

De neushoorn is ook het enige dier dat niet bang is voor vuur. In bosgebieden waar veel neushoorns voorkomen, is het onverstandig in de nachtelijke uren een kampvuur aan te houden. Jagers weten heel goed, dat die de opvliegende dikhuiden juist aantrekt. De neushoornjacht is overigens enigszins riskant. Het is niet gemakkelijk het dier te naderen zonder het te alarmeren. Ook heeft men niet altijd de gelegenheid het schot goed te richten, namelijk tussen het oor en het oog of in het hart achter de schouder. Een neushoorn die bijvoorbeeld in de longen is geetroffen, heeft voordat hij ineenstort nog de kracht om de jager aan te vallen, die dan enkele spannende ogenblikken kan beleven. Wanneer de neushoorn frontaal aanvalt, moet men het schot richten op de holle welving van het voorhoofdsbeen. Maar omdat het dier gedurende de stormloop zijn kop evenwijdig aan de grond houdt, is zo'n schot alles behalve makkelijk. De kogel kan de hoorn raken en daardoor de bedoelde uitwerking missen. Om een aanval uit de weg te gaan, moet men koelbloedig en vliegensvlug handelen. De jagers zijn het erover eens dat men een neushoorn die in de aanval is moet afwachten tot hij op enkele passen afstand is. Pas dan moet men plotseling opzij springen. Het dier wijkt door zijn snelheid niet van een rechte lijn af en schiet letterlijk en figuurlijk zijn doel voorbij.

Stoute stukjes van inheemse jagers

De inwoners van Afrika jagen bij voorkeur op de neushoorn op de volgende manier. Ze graven kuilen in de paden waarlangs de neushoorn zich pleegt te begeven. Ze bedekken deze kuilen met bladeren en dooreengevlochten takken. Behalve deze manier van jagen is er nóg een opwindende en riskante manier, die werd toegepast door de inwoners van Ethiopië. Deze manier van jagen werd door de Engelse ontdekkingsreiziger Bruce beschreven. De jagers te paard die 'ayagir' werden genoemd, jagen met een uitzonderlijke behendigheid. Twee mannen bestijgen hetzelfde paard. De ene man is gewapend met pijl en boog en de ander heeft als enig wapen een zeer scherpe sabel. Wanneer ze de neushoorn hebben ontdekt, zetten de jagers de achtervolging in, tot de neushoorn in het dichte struikgewas springt. De jagers houden zich dan op een afstand totdat de neushoorn zich weer op het open terrein begeeft. Dan stellen ze zich op tegenover het dier, dat geen moment zal aarzelen om aan te vallen. met de kop naar voren en de staart recht achteruit stormt hij steeds sneller op zijn tegenstanders af. Dan komt het aan op de stalen zenuwen van de jagers en een perfecte africhting van het paard.

Met een plotselinge sprong gaat het paard de aanval van het woeste, grote beest uit de weg en de man met het sabel laat zich op de grond glijden. Terwijl de eerste jager de aandacht van de dikhuid afleidt door het paard steeds sprongen te laten maken, snijdt de ander met een goedgerichte slag van zijn wapen de pees van een van de achterpoten door. De neushoorn kan zich dan niet meer bewegen. Daarna komen de andere jagers aansnellen, die met lansen en pijlen het gevallen dier doden.

De jacht in andere tijden

Tegenwoordig is de jacht op de neushoorn aan vele beperkingen onderheven. Want al is de zwarte heushoorn nog niet zo schaars als de witte neushoorn, toch zou het dier als het niet beschermd werd, spoedig zijn uitgestorven. Een idee hoe moordend de jacht in de 19e eeuw was, krijgt men als men de verhalen leest van beroemde Afrika-jagers. Harris vertelt dat hij in 1840, toen hij zich te paard verwijderde van de koets waarin hij reisde om een antilope op te halen die hij had gedood, binnen nog geen 2 kilometer op 22 neushoorns stootte en er vijf van moest doden. De jager Selous verklaardae dat hij wel meer dan 100 neushoorns in 8 dagen tijd doodde. Maar hij kwam tot de slotsom dat de jacht op deze dieren veel minder gevaarlijk is dan die op de leeuwen, olifanten en buffels.

Toch wordt de neushoorn zelfs in reservaten en wildparken nog bedreigd door inlandse stropers. Deze jagen op hem om zich meester te maken van de hoorns, die een hoge prijs opbrengen op de oosterse markten, omdat men gelooft dat ze de potentie verhogen.

De hoorn van de neushoorn brengt alleen al op de Afrikaanse markten - wettige of klandestiene - een prijs op die viermaal zo hoog is als die van het ivoor van de olifanten. De inwoners van Afrika houden ook veel van het vlees dat van de neushoorn afkomstig is. Van de huid maken ze schilden en tegenwoordig ook tafelbladen. Wanneer men de huid in dunne repen snijdt en met stenen beklopt, krijgt de neushoornhuid de stijfheid en doorscheinendheid van albast. In Kenia maakt men wandelstokken en rijzwepen van deze huidrepen. Van neushoornhuid is ook de 'siambock' gemaakt, de verschrikkelijke Afrikaanse zweep die anderhalve meter lang is en zo dun als een pink. Van de voorpoten tenslotte maakt men bijvoorbeeld sigarendozen en dergelijke voorwerpen.

Voorouders van de neushoorn

Het staat vast dat in de Eoceen-periode (20 miljoen jaar geleden), de familie van de neushoorns reeds op de aardbodem aanwezig was. Maar dan wel met de kenmerken en een uiterlijk, die enigszins afweken van de hedendaagse neushoorns. Onder andere ontbraken de hoorn of hoorns bovenop de neusbeenderen.

Van de voorouders van de tegenwoordige neushoorn is de reusachtigste ongetwijfeld - tenminste voor zover men weet - de baluchiterion geweest. Hij werd genoemd naar de streek Belucistan in India, weer men de belangrijkste resten van zijn skelet ontdekten. Dit dier dat in Midden-Azië leefde tijdens het Oligoceen (10 miljoen jaar geleden) had angstaanjagende afmetingen. De hoogte bij de schouders was niet minder dan 5,5 meter.

Dit enorme zoogdier moet goed ontwikkelde poten hebben gehad, een vrij lange hals en een snuit die eindigde in een kleine slurf. Interessant bij deze voorouder van de neushoorn is dat de gelijkenis met het paard, dat tot dezelfde orde behoort, veel duidelijker was - afgezien van de afmetingen - dan bij de huidige soorten.

Andere voorouders van de neushoorn hadden meer bescheiden afmetingen, zoals de Teleoceras, die in het Plioceen (11 miljoen jaar geleden) in Noord-Amerika leefde. Deze voorouder werd gekenmerkt door zeer korte poten, zelfs zo kort dat het lichaam de grond bijna raakte. Meer gelijkenis met de tegenwoordige neushoorns vertoonden de Elasmotheria uit Azië en Europa en de Sinotheria en de Iranotheria uit Azië

Toen de aarde nog met ijs bedekt was ...

Maar het dier dat de meest directe voorouder van de huidige neushoorn is, was de Tichorhinus of Coelodonta. Deze leefde in de tijd dat het Noordelijk halfrond met ijs bedekt was. Van deze dieren zijn door voorhistorische mensen tekeningen nagelaten. Hij had een lichaamsbouw die leek op die van de huidige witte neushoorn, met als verschil dat de witte neushoorn bestemd is om in een warm klimaat te leven, en de Tichorhinus in een koud klimaat leefde. Dit dier was bij de schoudres 1.60 meter hoog en had 2 hoorns. De ene zat op de neus en had een lengte van één meter en was schuin omhoog gericht. De andere was veel kleiner en zat op het voorhoofd.

Evenals de mammoed had de Tichorhinus een vacht van dicht en lang afhangend haar van een bruinrode of bruinzwarte kleur. Op zijn nek had hij een bult. Deze tweehoorn zwierf door de steppen op zoek naar voedsel, dat bestond uit loof en gras. Waarschijnlijk trok het dier naar het zuiden in de tijd van de grootste koude, zoals de mammoets dat in diezelfde tijd ook deden. De voorhistorische mensen maakten jacht op het dier op dezelfde manier als de inheemse bewoners van Afrika dat nu nog doen, door een kuil te graven in het pad waar ze lopen. Deze kuil wordt dan bedekt met bladeren en takken. Onze voorvaderen betrokken voedsel en vet van dit dier en droegen de wollige huid als kleding. Van de beenderen maakten ze wapens en gebruiksvoorwerpen.

Afrikaanse neushoorns

Witte neushoorn
De witte neushoorn (Ceratotherium simus) heeft van de vertegenwoordigers van zijn familie de grootste afmetingen. De mannetjes kunnen bij de schouders bijna twee meter hoog worden. Ze kunnen wel vijf meter lang worden, met inbegrip van de staart. Na de olifant is hij de grootste van de op het land levende zoogdieren.

De kop is buitengewoon lang en kan soms een derde bedragen van zijn lengte. De snuit is van voren stomp. De bovenlip heeft geen vingervormig aanhangsel, zoals de andere neushoorns dat hebben en dat dient om bladeren en takken los te rukken. In plaats daarvan hebben de witte neushoorns een onderlip, waarmee ze het gras, dat hun voedsel vormt, afsnijden. Op de snuit zitten twee hoorns. De onderste hoorn is naar voren en omhoog gericht en deze is ook het langst. De langste hoorn die ooit is aangetroffen, was 1.37 meter lang. De bovenste hoorn is meetsal 20 centimeter lang en kan ten hoogste 60 centimeter lang worden. Vaak is de onderste hoorn aan de punt gesleten omdat als het dier graast, deze langs de grond strijkt.

De huid is sterk, dik en enigszins glanzend. Aan het uiteinde van de staart zit een kwast van zwarte haren. De kleur van de huid is leisteengrijs. De witte neushoorn heeft dus een andere kleur dan zijn naam zegt. Waarschijnlijk vindt deze naam zijn oorsprong in de witte kleur van de opgedroogde modder die de huid voortdurend bedekt. Sommigen schrijven deze naam weer toe aan een verwarring tussen het Nederlandse woord 'wijd', wat betrekking heeft op de afmeting van de snuit en het Engelse woord 'white' voor wit.

Over de kleur van de Afrikaanse neushoorns schrijft de bekende jager Selous uit de 19e eeuw, die de huid van beide soorten met elkaar vergeleken heeft: ,,Noch de ene huid, noch de andere huid zijn bepaald wit of zwart te noemen; wat mij betreft zou ik niet kunnen zeggen welke van de twee het donkerst van kleur is''.

De witte neushoorn houdt van wijde open vlakten, die rijk zijn aan gras. Hij graast zoals runderen dat doen. Het schijnt dat zijn karakter zacht en minder achterdochtig en kwaadaardig is dan dat van de andere Afrikaanse soort (de zwarte neushoorn). Eenmaal per dag gaat hij naar het water om te drinken en om een modderbad te nemen. Het nemen van een modderbad is een gewoonte die alle neushoorns hebben. Want hoe hard en dik hun huid ook is, ze zijn toch gevoelig voor insectebeten. Ze zoeken daar bescherming tegen, door zich met een dikke modderlaag in te smeren.

De witte neushoorn werd in 1812 ontdekt door John Burchell, in Beetsjoeanaland in Zuid-Afrika. Daarna werd hij ook aangetroffen in vele delen van Afrika ten zuiden van de rivier de Kongo. Door de jacht waaraan dit enorme dier ten prooi viel en ook door andere oorzaken - de neushoorns stammen uit de oudheid, eigenlijk zijn ze overblijfselen uit vroegere tijden - dacht men enige tijd dat de soort helemaal uitgestorven was.

Omstreeks het jaar 1900 echter werden enkele neushoornkudden aangetroffen in het gebied van de bovenloop van de Nijl en in Zoeloeland. Daar de jacht op deze dieren ten strengste verboden is, denkt men dat de soort zich zal kunnen handhaven. Tegenwoordig leven er nog een paar honderd witte neushoorns in Zoeloeland, in Soedan en in het gebied van de Uele-rivier in Kongo.

Zwarte neushoorn
De zwarte neushoorn (Diceros bicornis) is de meest verbreide en bekendste soort neushoorn. Zijn afmetingen zijn minder indrukwekkend dan die van de witte neushoorn. De grootste exemplaren zijn 1.60 meter hoog in de schouders en hebben een lengte van 4 meter, met inbegrip van de staart. Het gewicht ligt tussen de 2.5 en 3 ton.

De kop is naar verhouding minder langwerpig dan die van de witte neushoorn. Het zij-aanzicht vertoont een uitstekend voorhoofd en een inzakking tussen het voorhoofd en de hoorns. De onderste hoorn is hoogstens 80 centimeter lang en de onderste 50 centimeter. Meestal is de onderste hoorn echter 60 cm en de bovenste ongeveer 30 cm lang. Sterk ontwikkeld is de bovenlip, die eindigt in een vingervormig aanhangsel. Dit is kenmerkend voor alle neushoorns, met uitzondering van de witte neushoorn. De neusgaten bevinden zich aan het uiteinde van de snuit. De ogen zijn klein en omgeven door rimpels. De oren, die behoorlijk ontwikkeld zijn, kunnen bewegen. De neushoorn kan ze afzonderlijk bewegen en zó richten, dat hij de herkomst van geluiden kan vaststellen. Alle lichamelijke kenmerken maken dat de neushoorn er huiveringwekkend en raadselachtig uitziet.

Een machtige, korte hals verbindt de kop met het lichaam. De huid is dik, bevat geen haren en vertoont niet de grote plooien die de Aziatische soorten wel hebben. Wel talrijk zijn de kleine plooien, waarin zich zeer hinderlijke parasieten nestelen. De kleur van de huid is donker-leisteengrijs.

De zwarte neushoorns geven blijk van een onvermoeide beweeglijkheid, gezien hun lompe vormen. Ze kunnen in looppas zelfs 45 kilometer per uur halen en ze zijn daarbij in staat plotseling en onverwacht van richting te veranderen.

Leven in de bossen
De neushoorn leeft in bosgebieden waar de begroeiing overvloedig, dicht en niet al te hoog is. Anders dan de witte neushoorn die graast, dus gras eet, voedt de zwarte neushoorn zich met bladeren en takken, die hij lostrekt met behulp van het vingervormige aanhangsel van zijn bovenlip. De zwarte neushoorn kan enorme schade toebrengen aan de bomen, struiken en planten die in de bossen groeien, ten eerste omdat hij ervan vreet, waarbij hij maar oppervlakkig kauwt om zijn maag te vullen (deze is anderhalve meter lang en driekwart meter breed) en ten tweede omdat hij alles omverloopt, plattrapt en beschadigt, wanneer hij zich ertussendoor beweegt.

Hoewel de zwarte neushoorn geen nachtdier is, ontwikkelt hij in de duisternis toch zijn grootste bedrijvigheid. Want tegen een te grote warmte is het dier maar slecht bestand. Op de heetste uren van de dag zoekt hij de dichte begroeiing op om te slapen, waarbij hij luidruchtig snurkt. Of hij rolt zich in een modderpoel. Op de minder warme uren en 's nachts verplaatst hij zich langzaam door het struikgewas, alleen of in kleine groepjes van drie of vier stuks, terwijl hij loopt te eten. Anders dan de witte neushoorn, die zijn kop steeds naar de grond gericht houdt, loopt de zwarte neushoorn met zijn kop omhoog, snuivend in de wind. 's Avonds of in de vroege ochtend gaat hij drinken. In het algemeen blijft hij, mits hij niet gestoord wordt, op een vaste verblijfplaats. Toch moet hij soms wel 20 tot 30 kilometer afleggen om naar een drinkplaats te komen.

Neushoorns worden altijd vergezeld door vogels. Deze gaan op zijn rug zitten en grijpen zich soms zelfs vast aan zijn buik om hem te bevrijden van de parasieten, die zich in de huidplooien bevinden. Deze vogels dienen ook als wachters omdat ze, zodra ze de aanwezigheid van mensen bemerken, opvliegen en luid beginnen te krijsen.

De intelligentie van de zwarte neushoorn is zeer gering. Maar zijn karakter is waarschijnlijk minder kwaadaardig dan men gewoonlijk beweert. Wel zijn ze grillig van aard en hun gewoonte om bij het geringste alarm in de aanval te gaan, kan vrij gevaarlijk zijn. Ze stormen dan zo snel als ze dat met hun enorme gewicht kunnen voorwaarts, met de kop evenwijdig aan de grond. pas als ze dichtbij de vijand komen, buigen ze hun kop omlaag om deze met zijn angstaanjagende hoorns te bewerken. Op dezelfde manier strijden de mannetjes met elkaar in de paartijd en brengen ze elkaar zware verwondingen toe.

De jongen worden - één per keer - na een dracht van 530 tot 550 dagen geboren. Na een jaar is het neushoornjong al langer dan een meter. Daarna groeit het langzamer tot ongeveer zijn vijftiende levensjaar. Zijn levensduur schijnt ongeveer 50 jaar te zijn.

Het schijnt dat de neushoorn monogaam is, dit wil zeggen dat hij zijn gehele leven bij hetzelfde vrouwtje blijft. Men zal dan ook zelden een neushoorn tegenkomen zonder dat zich in de buurt het vrouwtje bevindt, dat vaak nog gevolgd wordt door een jong. Soms kan men bij de groep ook een ouder jong aantreffen, hoewel er als regel geen jongen ter wereld komen voordat de laatstgeborenen de leeftijd hebben bereikt waarop ze zichzelf kunnen redden.

Hoewel het een feit is dat de mannetjes in de paartijd met elkaar vechten, houden sommigen vol dat het eerder het vrouwjte is dat het mannetje achterna zit, dan andersom. Eigenaardig is wel, dat deze bijzonderheid ook blijkt uit muurtekeningen van préhistorische volkeren.

Aziatische neushoorns

Indische neushoorn
De Indische neushoorn of gepantserde neushoorn (Rhinoceros unicornis) is een dier dat 3.80 meter lang kan worden, de 60 cm lange staart inbegrepen. De schouderhoogte is die van een man van middelmatig postuur, ongeveer 1.70 meter. Het gewicht bedraagt bijna twee ton. Het is een plomp en massief dier, met een kortere kop dan de Afrikaanse neushoorn. Ze hebben een bol voorhoofd en een bovenlip met een vingervormig aanhangsel, dat weinig ontwikkeld is. De ogen zijn klein en de oren dun, met een rand van dichtopeenstaande korte haren.

De Indische neushoorn heeft maar één hoorn, die zeer breed is aan het begin en naar achteren is gebogen. De lengte van deze hoorn is ongeveer 60 centimeter. De huid die dikker en harder dan die van een olifant kan zijn, heeft diepe plooien lopen vanaf de rug, bij de lendenen, eveneens naar onderen. Ook lopen er nog plooien in de hals en soms ook horizontaal over de romp op de plaats waar de poten beginnen. De Indische neushoorn heeft dus drie grote 'pantserplaten', die de schouders, de rug en het achterlijf bedekken en enkele kleine platen op de poten en op de hals. De huid glanst niet, maar is bedekt met hoornen schildvormige plaatjes, die er uitzien als grove korrels.

De kleur van de huid is grijsbruin, behalve in de plooiholten, waar de huid roze is. De jonge dieren hebben een lichtere kleur. Van alle neushoorns heeft de Indische éénhoornige neushoorn het uiterlijk dat het meest doet denken aan de monsterlijke voorouders van de neushoorns uit langvervlogen tijden; de dinosaurus. Ook zonder de jacht schijnt de neushoorn voorbestemd te zijn om spoedig uit te steven, omdat hij een te hoge graad aan specialisatie heeft bereikt.

Eens was de neushoorn in Azië geen bijzonderheid. Tegenwoordig komt hij slechts voor in Noord-india, alleen of in groepen van enkele exemplaren. Hij vertoeft bij voorkeur in streken die rijk zijn aan water, moerassen en rivieren die vaak buiten hun oevers treden, meren met modderige oevers en bossen waar beekjes door stromen. Hij graast op vlakten met veel gras, boompjes en bladerrijke struiken, waar hij zich bij voorkeur mee voedt. Hij rukt de takjes en de bladeren af met het aanhangsel van zijn bovenlip. Wortels graaft hij uit met zijn hoorn. Alvorens deze in te slikken slaat hij ze enkele keren tegen de grond om ze van de aarde te ontdoen.

De Indische neushoorn is 's nachts actief. Hoewel hij rustig van aard is, kan hij - zoals alle neushoorns - toch die woeste onvoorspelbare aanvallen krijgen. Hij heeft geen vijanden onder de dieren, want zelfs een tijger durft zich niet te meten met dit sterke en gepantserde dier. Alleen de jongen hebben, op jonge leeftijd wanneer ze het meest hulpeloos zijn, soms de aanvallen van grote roofdieren te verduren.

Tegen het einde van de herfst - in de paartijd - breken er verschillende gevechten uit tussen de mannetjes, waarbij ze elkaar bestormen en elkaar ernstige wonden kunnen toebrengen met de hoorns.

De jongen - één per worp - worden geboren na een dracht van 17 tot 18 maanden. Bij de geboorte is het pantser reeds goed zichtbaar. De kleintjes hebben dan al de afmetingen van een middelgroot varken.

De Indiërs jaagden te paard op de neushoorn. Gezeten op snelle en vlug reagerende wendbare paarden, volgden ze de neushoorn totdat het dier zich uitstrekte om te gaan slapen. Dan naderden ze hem tegen de win - zodat de neushoorn de geur van de mens niet kon ruiken - tot op een afstand dat ze konden schieten. Direct daarna gaven ze hun paarden de sporen en maakten dat ze wegkwamen, voor het geval dat de neushoorn hen zou aanvallen indien hij alleen maar gewond zou zijn. Niet alleen de hoorn en de huid waren een begeerde buit, maar ook het vlees werd beschouwd als een lekkernij. In China worden ook het staartvlees en een gelatine die uit de huid van de buik bereid wordt, als smakelijke gerechten beschouwd. In het verleden had de hoorn - behalve als middel dat de geslachtsdrift zou prikkelen - ook nog een andere merkwaardige toepassing. Men maakte er bekers van die de eigenschap hadden, dat dranken die vergif bevatten, direct herkend konden worden. De zeer duurzame huid diende om schilden van te maken, die noch door lansen, noch door kromzwaarden en noch door pijlen konden worden doorboord.

Javaanse neushoorn
Tot hetzelfde geslacht als de Indische neushoorn behoort de Javaanse neushoorn, ook wel Soenda-neushoorn genoemd (Rhinoceros sondaicus). Deze neushoorn is kleiner dan de Indische, hij wordt hoogstens 3 meter lang, met een hoogte van 1.40 meter. Hij heeft net zoals de Indische neushoorn slechts één hoorn, die ongeveer 30 cm lang is. Deze ontbreekt bijna geheel bij de vrouwjtes.

De Javaanse neushoorn onderscheidt zich niet alleen van zijn broeder, de Indische, omdat zijn kop langer is, maar ook omdat het aanhangsel van zijn bovenlip sterker ontwikkeld is en omdat de plooien van de pantserhuid anders gerangschikt zijn. De huid, die grijsbruin van kleur is, heeft geen uitsteeksels, maar vertoont over de gehele oppervlakte een net van kleine loven, zoals bij een krokodil het geval is.

De Javaanse neushoorn is een soort, die in afnemende mate voorkomt. Vroeger werd hij veelvuldig aangetroffen in Assam, Birma, Malakka, Indo-China, op Sumatra en op Java. In Assam is hij waarschijnlijk geheel verdwenen en in Zuidoost-Azië komen nog slechts enkele exemplaren voor. Hij is eigenlijk alleen nog maar goed vertegenwoordigd in het zuiden van Sumatra en in het oosten van Java.

Sumatraanse neushoorn
De kleinste neushoorn is de Sumatraanse neushoorn (Dicerorhinus sumatrensis), die ook wel halfgepantserde neushoorn wordt genoemd. Hij is wat kleiner dan de Javaan en heeft twee hoorns. Bij de mannetjes zijn deze ongeveer 16 en 20 centimeter lang en bij de vrouwtjes is de onderste hoorn slechts 15 centimeter. De tweede hoorn is bij een vrouwtje nauwelijks zichtbaar. De huid is korrelig en heeft minder diepe en minder lange plooien dan de huid van de andere Aziatische neushoorns en ook is de huid minder dik. De Sumatraanse neushoorn, die altijd nog het indrukwekkende gewicht heeft van een ton, is beweeglijker dan zijn neven. Hij leeft alleen of in groepen in het dichte struikgewas, tussen het riet en bij het water. Ook komt hij voor in de bergen, tot op een hoogte van 2000 meter. De vrouwtjes hebben naar men aanneemt een dracht van zeven maanden.

Het verspreidingsgebied van de Sumatraanse neushoorn omvat Assam, Thailand, het schiereiland Malakka en de eilanden Sumatra en Borneo.

Rechtoor-neushoorn
De beroemde dierkundige Brehm beschreef nog een andere Aziatische neushoorn, die sterk verwant is aan de Sumatraan. Het is de rechtoor-neushoorn, die tegenwoordig zo goed als zeker is uitgestorven. Deze kwam voor in het oosten van India, in het gebied ten westen van de Ganges en vooral in Tenasserim en Arakan. Zijn huid was dunner dan die van de andere soorten en een franje van haren sierde de rand van zijn oren. De jongen hadden een huid van lange, fijne, roodachtige haren.

In 1868 werd een exemplaar van deze soort voor de eerste maal in de Golf van Bengalen gevangen en naar de dierentuin van Londen verscheept. De neushoorn, een vrouwtje van 2.60 meter lengte en 1.30 meter hoogte, was blijven steken in drijfzand. Met 200 man slaagde men erin het dier met behulp van een zeer lang touw op de vaste grond te trekken en daarna tussen de bomen vast te binden. Enkele Engelse officiers die zich indat gebied bevonden om er olifanten voor het leger te vangen, lieten de neushoorn tussen twee olifanten vastbinden. Zo slaagden ze er met veel moeite in het dier naar Chittagong te vervoeren, vanwaar de neushoorn naar Engeland werd verscheept.

Uit wat de jagers en directies van dierentuinen hebben geschreven, kan men vaststellen dat de faam van afgestomptheid en onhandelbaarheid die de neushoorns genieten, niet helemaal verdiend is. Want het is niet te ontkennen dat, weliswaar binnen beperkte grenzen, ook deze dieren in staat zijn tot een zekere gedachtenvorming. Het is bijvoorbeeld een feit, dat de zeer jonge dieren bepaald vertrouwen hebben in degene die hen benadert, als deze hen maar niet bang maakt. Ook de volwassen dieren tonen zich, wanneer ze voor het eerst een mens ontmoeten, tamelijk onverschillig.

In gevangenschap leren ze de oppasser herkennen en als ze goed worden behandeld, kunnen ze vrij tam worden. Alleen de zwarte neushoorn blijft wantrouwig en onhandelbaar.

met voedsel zijn ze niet kieskeurig. Maar om hun enorme maag te vullen, is wel een zeer grote hoeveelheid nodig. Behalve hooi, haver en knolrapen eten ze ook graag brood en suiker.

Maar zelden laten de volwassen dieren hun stemgeluid horen, en als ze het doen is het meestal een luid snuiven van woede. De jongen maken piepende geluiden.
© 2008 - 2009 Hikari, gepubliceerd in Dieren (Dier en Natuur) op 21-05-2008. Het auteursrecht van dit artikel ligt bij de infoteur. Zonder toestemming van Hikari is vermenigvuldiging van dit artikel verboden. Meer...

Verwante artikelen


Reageer op het artikel "De neushoorn; een dier met oerkracht"


Er zijn nog geen reacties geplaatst op dit artikel.