InfoNu.nl > Dier en Natuur > Dieren > Voeding voor Belgisch witblauwe stieren

Voeding voor Belgisch witblauwe stieren

Een goede voeding is belangrijk voor de gezondheid van het dier en voor een goede productie. Hier wordt de voeding van een vleesveestier beschreven van geboorte tot de slacht. Een Belgisch wit blauwe afmeststier doorloopt 3 belangrijke fasen met 3 aangepaste rantsoenen. Eerst hebben we het rantsoen van het zogende kalf waar een goede ontwikkeling van het immuunsysteem en het maag-darmkanaal de belangrijkste punten zijn. Daarna wordt het rantsoen berekent voor de groeifase. Hier ligt de nadruk op het ontwikkelen van een sterk skelet en word vooral gewerkt met ruwvoer. Tenslotte is er de afmestfase waarbij de nadruk ligt op vleesaanzet en meer met krachtvoer zal gewerkt worden. Deze periode duurt tot het gewenste slachtgewicht bereikt is. Er kan gekozen worden voor een laag slachtgewicht van 650kg op 18 maanden leeftijd of voor een hoog slachtgewicht van 800kg wat normaal bereikt wordt op 24 maanden (Hubrecht et al., 2010; Nantier, 2007). Dit is haalbaar met een gemiddelde groei van 1,1kg per dag (Hubrecht et al., 2010).

Rantsoen fase 1: Voeding van het kalf tot en met het spenen

Aangezien het kalf geboren wordt zonder antistoffen is het belangrijk dat ze binnen 2 uur na de geboorte 2 liter biest drinken (Nantier, 2007; Hubrecht et al., 2005). Tijdens de eerste dag na de geboorte moeten ze zeker 10% van hun lichaamsgewicht in biest opnemen verspreid over 3 tot 4 voederbeurten. Na deze eerste dag worden de afweerstoffen uit de biest niet meer in de bloedbaan opgenomen. Ze hebben echter wel nog een beschermende werking in het darmkanaal. Daarom krijgt een kalf dat diarree heeft ten gevolge van rota- of coronavirusbesmetting best 2 keer per dag 50 tot 100 ml biest extra bij hun gewone rantsoen en dit voor 14 dagen.

Biest bevat naast antistoffen of immunoglobulinen ook groeifactoren, vitamine A en E en mineralen (Vlaamse overheid, 2010; Nantier, 2007). Het gehalte aan afweerstoffen kan wel sterk variëren tussen 30 en 180 milligram immunoglobulinen per liter melk. Om een vitaal en gezond kalf te krijgen is een minimum van 150 milligram immunoglobulinen per liter melk nodig. Oudere koeien geven een betere kwaliteit biest dan de jongere dieren aangezien zij al met een bredere reeks ziektekiemen in contact zijn gekomen. Ze hebben dus al tegen meer ziektekiemen resistentie kunnen opbouwen. De dieren vaccineren verhoogt de kwaliteit van de biest. Het is ook aan te raden om bedrijfseigen biest te gebruiken aangezien deze beter zal beschermen tegen bedrijfseigen ziektekiemen dan aangekocht biest (Nantier, 2007).

Bij Belgisch wit blauwe kalveren is er meestal gescheiden opfok. Voor de voeding van de kalveren kan dan ook gekozen worden tussen kunstmelk of koemelk. Koemelk heeft als nadeel dat het een wisselend vet- en eiwitgehalte heeft en een relatief lage concentratie aan vitaminen en mineralen. Er kan ook een mengeling gemaakt worden van de kunst- en koemelk. Wanneer koemelk gegeven word wordt er 4 liter over 3 voederbeurten gegeven; 1,5l-1l-1,5l (Nantier, 2007). Er moeten dan ook extra vitaminen en mineralen, waaronder zeker vitamine E en selenium, toegediend worden kort na de geboorte (Vlaamse overheid, 2010). Bij kunstmelk wordt 6 liter gegeven maar ook over 3 voederbeurten; 2l-2l-2l. Om spijsverteringsstoornissen te voorkomen mag er niet meer gegeven worden (Nantier, 2007). Door de melkgift te beperken word ook de opname van krachtvoer bevordert (Hubrecht et al., 2010; Nantier, 2007).

Na 3 weken mag het kalf een kleine hoeveelheid kracht- en ruwvoer krijgen (Hubrecht et al., 2005).
Wanneer het kalf een halve kg krachtvoer per dag opneemt kan de melkvoeding geleidelijk verminderd worden. Op 3 maand kan het kalf meestal gespeend worden, het moet dan 1 kg krachtvoer per dag opnemen. Het spenen is zeer stresserend voor het kalf en kan tot een groeistilstand leiden. Dit kan weer zorgen voor een verminderde weerstand van het kalf. Het spenen moet dus zo snel en vlot mogelijk gebeuren (Nantier, 2007). Na 4 maanden kan overgeschakeld worden naar het rantsoen voor jongvee, vanaf dan kan er ook kuilvoer gegeven worden (Nantier, 2007; Hubrecht et al., 2005).

Bij de geboorte is het maag-darmkanaal nog niet volledig ontwikkeld. De melk gaat via de slokdarmsleuf rechtstreeks naar de lebmaag. De andere magen zijn nog niet volledig ontwikkeld. De ontwikkeling is gedeeltelijk afhankelijk van de voeding (Vlaamse overheid, 2010; Nantier, 2007). Het is daarom belangrijk het kalf de juiste voeding te geven die een goede ontwikkeling van de magen bevordert zodat op latere leeftijd een goede voedselopname zal plaatsvinden. De ontwikkeling komt ook sneller op gang wanneer al vroeg vast voer gegeven wordt. Ruwvoer zorgt vooral voor een toename in volume van de pens (Hubrecht et al., 2010; Nantier, 2007). De groei van papillen op de penswand wordt bevorderd door vluchtige vetzuren die vooral ontstaan na de opname van krachtvoer. De leb -, net - en boekmaag groeien trager dan de pens. Op ongeveer 5 maanden ouderdom is het maag-darmkanaal volgroeid (Vlaamse overheid, 2010).

Per opgenomen kg droge stof moet het kalf 4,5l water krijgen. Wanneer het kalf te weinig water opneemt kan dit de opname van krachtvoer remmen. Bij diarree is het belangrijk dat het kalf voldoende water opneemt om uitdrogen te voorkomen. Het is het beste om water ad libitum ter beschikking te stellen. Bij een uitgebalanceerd rantsoen komen normaal geen tekorten voor. Bij een eenzijdige melkvoeding kan echter wel een tekort aan vitamine E en selenium voorkomen. Dit kan voor spieraandoeningen en kortademigheid zorgen. Door de eerste dagen extra vitamine E en selenium te geven kan een tekort voorkomen worden (Nantier, 2007).

Rantsoen fase 2: Groeifase

Indien gekozen wordt voor een hoog slachtgewicht zal deze fase duren tot de stier ongeveer 650kg weegt wat meestal op 18 maanden leeftijd bereikt wordt. Indien voor een laag slachtgewicht gekozen wordt zal deze fase veel korter duren en zal er van in het begin vaak meer krachtvoer gegeven worden.

De voerkosten kunnen het best gedrukt worden tijdens de groeifase aangezien tijdens deze periode vooral met ruwvoer zal gewerkt worden. Vooral eigen gewonnen ruwvoer is economisch gezien interessanter. Dit kan eventueel aangevuld worden met een kleine hoeveelheid krachtvoer met toegevoegde mineralen en vitaminen om een optimale groei te bekomen. Indien er teveel krachvoer wordt gegeven tijdens de groeifase kan er wel een snelle groei, tot zelfs 2,2kg per dag, bereikt worden maar zal het dier op een bepaald moment beginnen vervetten en stoppen met groeien. Dit komt omdat krachtvoerachtigen vaak veel zetmeel bevatten (Hubrecht et al., 2010; Vlaamse overheid, 2010) Deze methode kan wel toegepast worden wanneer er voor gekozen word voor een laag slachtgewicht. Het dier zal dan het gewenste gewicht bereiken voor de groeistilstand begint. In de praktijk wordt het ruwvoer meestal ad libitum verstrekt. Er kan ook voor gekozen worden om de jonge dieren te beweiden. Er moet dan wel een energie- en eiwitrijk voeder bijgegeven worden om een goede groei te behouden. Er kan ook een exacter rantsoen berekend worden. Er moet dan wel vrij regelmatig een nieuw rantsoen berekend worden naargelang het gewicht van het dier toeneemt. Het hieronder weergegeven rantsoen is berekend voor een jonge afmeststier van 300 kg met een gewenste groei van 1,2kg per dag.

Tabel 1: Voederrantsoen voor een jonge afmeststier van 300kg met een gewenste groei van 1,2kg/dag (CVB, 2008).
ds gVEVIDVE g:kgsw
snijmaïskuil,ds 240-280g/kg35003244,5178,55,95
triticale11001456,214126,6818-0,187
grashooi,gemiddeld19201514,88111,366,912
totaal65206215,594416,541812,675
Behoefte700062154153,912
Verschil rantsoen en behoefte480-0,5941-1,54183-8,763
ds: droge stof in gram
VEVI: voedereenheid vleesvee intensief
DVE: darmverteerbaar eiwit in g/kg
sw: structuurwaarde

Er wordt maar 1,1 kg krachtvoerachtige gegeven, verder bestaat het rantsoen volledig uit snijmaïskuil en grashooi. Dit resulteert in een zeer hoge structuurwaarde wat goed is voor de pens en een verzadigd gevoel geeft. Een stier van 300kg kan maximum 7kg droge stof per dag opnemen (CVB, 2008). In dit rantsoen is nog 0,48kg ds opname mogelijk. Er kan een sterkere groei van 1,4 kg per dag bereikt worden indien het rantsoen bijvoorbeeld aangevuld word met verse aardappelen.

Tabel 2: Voederrantsoen voor een jonge afmeststier van 300kg met een gewenste groei van 1,4kg/dag (CVB, 2008).
ds gVEVIDVE g:kgsw
aardappelen, vers500598,5410,35
snijmaïskuil, ds 240-280g/kg25002317,5127,54,25
triticale12001588,597138,1984-0,204
grashooi, gemiddeld28002209,2162,410,08
totaal70006713,797469,098414,476
Behoefte700067104654,2
Verschil rantsoen en behoefte0-3,7972-4,09836-10,276
  • ds: droge stof in gram
  • VEVI: voedereenheid vleesvee intensief
  • DVE: darmverteerbaar eiwit in g/kg
  • sw: structuurwaarde

Dit rantsoen is wel eerder geschikt wanneer voor een lager slachtgewicht gekozen is (Vlaamse overheid, 2010). Aardappelen hebben een goed effect op de karkas- en vleeskwaliteit. Afhankelijk van de marktprijs kunnen ze ook de voerkosten drukken. Ze mogen wel maar 25 tot 35% van het rantsoen innemen (dit wordt verder uitgelegd in 7.3) (Nantier, 2007). Ook hier is de structuurwaarde zeker groot genoeg.

Tijdens de groeifase is het belangrijk dat het skelet goed ontwikkeld zodat het stevig genoeg is om de spiermassa te kunnen dragen en om breuken te voorkomen. Hiervoor zijn Calcium en fosfor belangrijke factoren. De ideale Ca/P verhouding is 2/1. Er moet opgepast worden dat er niet teveel fosfor gegeven word. Een teveel wordt namelijk afgevoerd via de nieren wat voor alkalische urine kan zorgen. Dit kan voor de vorming van nierstenen zorgen. Het risico kan verkleind worden door veel water te geven (Vlaamse overheid, 2010; Nantier, 2007).

Rantsoen fase 3: Afmestfase

Tijdens de afmestfase zal de hoeveelheid krachtvoer opgevoerd worden. Dit moet echter geleidelijk gebeuren om pensstoornissen en groeistilstand te voorkomen. Om de overgang vlot te laten verlopen word best hooi gegeven, dit geeft een verzadigd gevoel en rust (Vlaamse overheid, 2010; Nantier, 2007).

In vergelijking met andere vlees- en melkveerassen heeft het Belgisch witblauwe ras een zeer goede conformatie. Ze hebben hierdoor een hogere behoefte aan eiwit en energie (Hubrecht et al., 2005) maar ook een kleiner spijsverteringsstelsel en ze kunnen dus ook minder droge stof per dag opnemen (Vlaamse overheid, 2010). Een hoog eiwitgehalte in het rantsoen is noodzakelijk om een goede groei te bekomen. Eens het dier een gewicht van 500kg heeft bereikt kan het eiwitgehalte wat verlaagd worden (Nantier, 2007). Het heeft dan niet meer zo een sterke invloed op de voederomzet en groei. Het is vanaf dan vooral de verhouding van DVE tegenover VEVI dat de groei beïnvloed. Deze verhouding mag niet hoger zijn dan 100 anders heeft dit een negatieve invloed op de groei (Vlaamse overheid, 2010; Ministerie van Middenstand en Landbouw, 1998).
Energie zorgt voor een betere eiwitomzetting in de pens. Vooral boven de 570 kg wordt de invloed van energie groter (Nantier, 2007). Dit rantsoen is berekend voor een afmeststier van 750kg met een gewenste groei van 1,1kg.

Tabel 3: Voederrantsoen voor een afmeststier van 750kg met een gewenste groei van 1,1kg/dag (CVB, 2008).
ds gVEVIDVE g:kgsw
aardappels,vers 10001197820,7
snijmaïskuil,ds 240-280g/kg55005098,5280,59,35
zonnebloemzaad, ontdopt RC< 90g/kg1000240061,70,36
grashooi,gemiddeld30302390,67175,7410,908
bietenpulp 50057749,50,525
totaal1103011663,17649,4421,843
Behoefte11500116606496,618
Verschil rantsoen en behoefte470-3,17-0,44-15,225
  • ds: droge stof in gram
  • VEVI: voedereenheid vleesvee intensief
  • DVE: darmverteerbaar eiwit in g/kg
  • sw: structuurwaarde

CCM (corn cob mix, gemalen en ingekuilde maïskorrels) en aardappelen bevat veel bestendig zetmeel. Dit is zetmeel dat niet in de pens afgebroken wordt en als glucose beschikbaar in de dunne darm terecht komt. Bestendig zetmeel kan de voederomzet negatief beïnvloeden omdat het zetmeel onvoldoende in de dunne darm kan afgebroken worden en dus te weinig benut kan worden. Rantsoenen met meer bestendig eiwit zouden wel een hoger slachtrendement geven. Om de negatieve invloed op de voederomzet te beperken wordt aangeraden dat het aandeel zetmeel in de droge stof niet meer dan 25% inneemt (Vlaamse overheid, 2010). In het bovenstaande rantsoen (zie tabel 3) is 18,75% van de droge stof zetmeel.

Aangezien de dieren meestal worden vetgemest op stal kan er een vitamine D tekort ontstaan. Ook moet er opgepast worden voor een vitamine A en E tekort wanneer het grootste deel van het rantsoen uit maïskuil bestaat (Nantier, 2007; Vlaamse overheid, 2010). Vitamine E is belangrijk voor de kleurhoudbaarheid van het vlees. Vitamine A is essentieel voor de groei en een goede weerstand en vitamine D is belangrijk voor de ontwikkeling van het skelet en de mobilisatie van calcium en fosfor. Het is dan ook belangrijk dat bij een tekort extra vitamine A, E en D toegediend worden. Bij een structuurtekort of bij zwavelrijke voeding moet ook extra vitamine B gegeven worden. Vitamine B1 tekort kan aanleiding geven tot cortico- cerebronecrose wat tot blindheid of in het ergste geval tot de dood kan leiden. Bij tekorten wordt meestal een vitaminen kern gegeven (Nantier, 2007).

Structuurwaarde

De structuurwaarde van een voedermiddel geeft de bijdrage van het voedermiddel aan een stabiele pensfermentatie weer. Dit wordt vooral bepaald door het gehalte aan ruwe celstof en NDF. Verder zijn ook de lengte en de prik of hardheid van de voederdeeltjes belangrijk (Hollander en Van duinkerken, 2003).De structuurwaarde heeft een fictieve eenheid en word weergegeven als structuurwaarde per kg droge stof (Van Liefferinge, 2007). De structuurwaarde moet zeker 0,6 per kg droge stof bevatten om een optimale werking van de pens te garanderen. Indien een rantsoen veel snel afbreekbare koolhydraten bevat, zoals granen en pulp, en te weinig ruwvoer kan dit voor een verstoorde penswerking zorgen. Hierdoor zullen de dieren minder eten. Bij blijvend structuurtekort komen pensverzuring en tympanie voor. In een ver gevorderd stadium ontstaat metabole acidose wat tot de dood leidt. Er moet daarom voldoende ruwvoer gegeven worden. Dit is ook belangrijk bij de jonge dieren voor een goede pensvorming (Vlaamse overheid, 2010; Nantier, 2007).

Water

De waterbehoefte schommelt tussen 2 tot 10 kg water per kilogram droge stof afhankelijk van het gewicht van het dier, de droge stof opname en de temperatuur. Water wordt best ad libitum verstrekt (Nantier, 2007).
© 2011 - 2019 Kitana, het auteursrecht (tenzij anders vermeld) van dit artikel ligt bij de infoteur. Zonder toestemming van de infoteur is vermenigvuldiging verboden.
Gerelateerde artikelen
Koeienras: FleckviehKoeienras: FleckviehWereldwijd bestaan er vele runderrassen, waaronder de Fleckvieh. De Fleckvieh staat op de tweede plaats van meest voorko…
Neospora caninumNeospora caninum is een parasiet die voor grote problemen kan zorgen in met name de rundveehouderij. Ook voor honden kan…
Je lichaam ontzuren met voeding: hoe en waarom?Misschien heb je wel eens iets gehoord over het ontzuren van je lichaam met de juiste voeding. Maar waarom eigenlijk? En…
Haaruitval door verkeerde voedingHaaruitval door verkeerde voedingEenzijdige of in één keer radicaal gaan diëten kunnen tot haaruitval leiden. Ook een niet evenwichtige voeding, bijvoorb…
Hardlopen met een ijzertekort. Hoe, wat, tips en adviesOok hardlopers kunnen te maken krijgen met een ijzergebrek. Een ijzertekort heeft directe invloed op de prestaties en he…
Bronnen en referenties
  • CVB (2008). Tabellenboek veevoeding 2008. Productschap Diervoeder
  • Hubrecht, L., Willems, W. (2005, juli). Groei bij Belgisch Witblauw vleesvee. Rendabiliteit in de zoogkoeienhouderij. Vlaamse overheid
  • Ministerie van Middenstand en Landbouw (1998). Rundvleesproductie; voeding van vleesstieren. Ministerie van Middenstand en Landbouw
  • Nantier, G. (2007). Dubbel gespierd : management en fokkerij van het Belgisch-witblauwras in Vlaanderen en Nederland. Arnhem: CRV holding BV.
  • Hubrecht, L., Willems, W. (2010, juli). Rendabiliteit in de zoogkoeienhouderij: Belang van groei en vruchtbaarheid. Vlaamse overheid
  • Vlaamse overheid (2010, oktober). Voeding van runderen van het belgisch witblauwe ras. Brussel: Vlaamse overheid.
  • Hollander, C., van Duinkerken, G. (2003). Structuur als basis voor een gezonde koe.Veeteelt, 20, p46-47
  • Van Liefferinge, J. (2007). Melkveevoeding. Brussel: Drukkerij Antilope

Reageer op het artikel "Voeding voor Belgisch witblauwe stieren"

Plaats als eerste een reactie, vraag of opmerking bij dit artikel. Reacties moeten voldoen aan de huisregels van InfoNu.
Meld mij aan voor de tweewekelijkse InfoNu nieuwsbrief
Ik ga akkoord met de privacyverklaring en ben bekend met de inhoud hiervan
Infoteur: Kitana
Gepubliceerd: 20-05-2011
Rubriek: Dier en Natuur
Subrubriek: Dieren
Bronnen en referenties: 8
Schrijf mee!