Reptielen en Slang

Reptielen: Geelgroene toornslang en hoefijzer-toornslang

In dit artikel leest u alles over de volgende twee slangensoorten: De Geelgroene toornslang (Coluber viridiflavus of Zamenis gemonensis) en de hoefijzer-toornslang (Coluber hippocrepis).


Geelgroene toornslang (Coluber Viridiflavus)

De geelgroene toornslang (Coluber Viridiflavus)
De geelgroene toornslang (Coluber Viridiflavus)
Karakter
De geelgroene toornslang (coluber viridiflavus of Zamenis gemonensis) kan als een zéér agressieve slang worden beschouwd. Hij keert zich tegen ieder die in zijn buurt komt, ook als hij helemaal niet bedreigd wordt. Hij is vrijwel vortdurend in de aanval. Hij begint verwoed te bijten, wanneer men tracht hem te vangen. De geelgroene toornslang is onmogelijk te temmen. Zelfs na een lange periode van gevangenschap leert hij het niet af om degenen, die hem voedsel brengen, aan te vallen. Zijn beten doen weinig kwaad. Men kan hoogstens een schram oplopen, wanneer men plotseling de hand terugtrekt.

Lichaamsbouw
De geelgroene toornslang is over het algemeen 1.10 tot 1.30 meter lang, hoewel men wel eens een exemplaar met een lengte van 1.90 meter heeft aangetroffen. De staart beslaag ongeveer een vierde deel van de hele lengte. Zijn kop is ovaal en zijn ronde snuit steekt op de kin wat uit. De grote ogen hebben een ronde pupil. Het is duidelijk te zien waar de nek begint. Zijn lichaam is volmaakt rond en de lange staart eindigt in een punt.

Kleur
De toornslang is bijzonder fel van kleur. De hoofdkleuren zijn groen en geel. Het achterste deel van het lichaam is groen. Zijn kop, staart en het voroste deel van het lichaam zijn geel. Deze kleuren worden onderbroken door talloze zwarte of donkergroene vlekken. Deze vlekken gaan op het einde van de rug en de staart over in strepen. Aan de onderzijde van het lichaam zit aan weerszijden van iedere schub een zwart vlekje. Ook bestaat er nog een Colubride (de carbonarius) met een geheel zwarte rug.

Leefgebied
Deze slang komt vooral in het zuiden en noordoosten van Italië voor. De jongen van de carbonarius zijn egaal olijfgroen en hebben nog geen vlekken op hun rug.

De geelgroene toornslang leeft verspreid over een groot deel van Zuid-Europa. In Oost-Europa, in Klein-Azië en in Perzië vindt men de caspius. Deze kan een lengte van 2.50 meter bereiken.

Voedsel
De toornslang is zowel op de grond als in de bomen bijzonder snel. Hij voedt zich met muizen en vogeltjes, maar vooral met slangetjes, hagedissen en kleine nachtdieren. Hij kronkelt zich niet om de diertjes heen om ze dood te drukken, maar hij slikt ze met huis en haar levend in. Ook in gevangenschap is zijn vraatzucht onvoorstelbaar groot. Er schijnt zelfs een toornslang geweest te zijn die in gevangenschap zijn lotgenoten een voor een op (vr)at.

Dagdier
Tegen het vallen van de avond trekt de toornslang zich terug in een hol onder de grond of tussen de rotsen. Hij komt pas weer tevoorschijn als de zon hoog aan de hemel staat en de lucht warm is. In het voorjaar en in de zomer kan men hem op droge plaatsen en ook in het bos aantreffen. Wanneer het in het najaar koud wordt, zoekt hij een hol op. Vaak treft men hem ook aan, dikwijls met een paar soortgenoten, op een graanzolder of in een kelder, waar hij dan de gehele winter blijft.

Eierleggend
De toornslangen leggen eieren. Het vrouwtje produceert drie tot zeven langwerpige eieren en de jongen vertonen reeds bij hun geboorte veel gelijkenis met de volwassen dieren. Hoewel de toornslang zeer agressief van aard is, heeft men hem toch graag in een terrarium, omdat hij zich zo elegant en levendig beweegt.

Hoefijzer-toornslang (Coluber hippocrepis)

De Hoefijzer-toornslang (Coluber hippocrepis)
De Hoefijzer-toornslang (Coluber hippocrepis)
Leefgebied
Een Colubride die veel gelijkt op de toornslang, is de hoefijzer-toornslang (Coluber hippocrepis). Deze slang vindt men in Spanje, op Sardinië, in Griekenland en eveneens in Noord-Afrika.

Uiterlijk
Hij is gewoonlijk een meter lang hoewel men ook wel hoefijzer-toornslangen heeft aangetroffen van anderhalve meter. De hoefijzer-toornslang heeft een vrij lange kop die aan de bovenzijde plat is en naar de nek toe breed uitloopt. Men kan duidelijk zien waar de nek begint. Het lichaam is betrekkelijk dik, dat naar de staart smal toe loopt en eindigt in een punt. De omvang van zijn staart is afhankelijk van het geslacht van het dier. Zijn oog is aan de onderkant omlijnd door een halve cirkel van veelzijdige schubjes.

Kleur
De hoefijzer-toornslang is geel of geel-grijs. Op zijn rug heeft hij een groot aantal, regelmatig verdeelde, zwartomlijnde grijze vlekken. Hij dankt de naam aan de hoefijzervormige tekening op de achterzijde van zijn kop. Deze tekening bestaat uit twee zwarte lijnen, die de nek aan weerszijden sieren. Tussen de lijnen zit een vlek. Deze vlekken liggen in 3 of 5 rijen over zijn hele lichaam. de middelste rij heeft de grootste en meest ronde vlekken. Op de staart liggen deze rijen zo dicht op elkaar, dat ze één rij vormen.

De onderzijde van het lichaam is helder-geel met twee rijen bruine vlekken. Bij de jongere dieren zijn de vlekken het scherpst.

Karakter en eetgewoonten
De hoefijzer-toornslang is vrij levendig van aard. Hij jaagt vooral op vogels. Zonder veel moeite achtervolgt hij mussen en andere kleine vogels over de takken van de bomen. Ook klimt hij wel tegen de muren van huizen op, om de nesten onder de goot te bereiken en de jongen op te eten. Ook voedt hij zich met kleine zoogdieren, en dan in het bijzonder met muizen. HOewel men hem niet bepaald tam kan noemen, is hij toch veel minder agressief dan de geelgroene toornslang. Hij bijt uitsluitend wanneer men te dichtbij komt. Zijn voorkeur gaat uit naar droge, dorre grond zoals zonovergoten rotsen.
© 2007 - 2009 Hikari, gepubliceerd in Reptielen (Dier en Natuur) op 29-09-2007. Het auteursrecht van dit artikel ligt bij de infoteur. Zonder toestemming van Hikari is vermenigvuldiging van dit artikel verboden. Meer...

Verwante artikelen


Reageer op het artikel "Reptielen: Geelgroene toornslang en hoefijzer-toornslang"


Er zijn nog geen reacties geplaatst op dit artikel.