Reptielen en Slang

Reptielen: Amerikaanse copperhead, bamboe-adder e a

Aangezien over sommige soorten te weinig informatie beschikbaar is om er één enkel artikel aan te wijden, zal in dit artikel aandacht besteed worden aan meerdere slangensoorten: de Amerikaanse 'copperhead', de 'bamboe'-ratelslang, de 'bosmeester' en de lanspuntslang.


Amerikaanse copperhead (Ancistrodon Contortrix)
Amerikaanse copperhead (Ancistrodon Contortrix)

Amerikaanse 'copperhead'

Een ander in Noord-Amerika veel voorkomend soort van hetzelfde geslacht is de Ancistrodon contortrix, populair 'Copperhead' (copperhead = koperkop), vanwege de kleur van zijn kop. Hun kop is namelijk donkerrood, met een koperkleurige weerschijn. De schubben van de rug, die in 23 lange rijen liggen, zijn bruin met dwarsstrepen en driehoekige bruin-rode vlekken. Hun buik is geel, met bruine vlekken en grote zwarte vlekken aan de zijkant.

De Copperhead treft men aan in de meest uiteenlopende gebieden, zowel op rotsachtige plaatsen, als in moerassige gebieden en in bossen met veel plantengroei.

Ook de Copperhead voedt zich met amfibieën, vogels en kleine zoogdieren. Hij acht zich er echter niet boven verheven insecten te doden, als de gelegenheid zich voordoet. In april vindt de paring plaats, en in september worden de jongen geboren: ongeveer 6 of 7 stuks. Ook dit soort is prikkelbaar van aard en bijt snel.

Ook de Himalaya-moccasinslang (Ancistrodon Himalayanus) heeft dergelijke gewoonten. Deze slangen leven in Noord-India, tot op 3000 meter hoogte.

De Ancistrodon Hypnale komt voor in Zuid-India en op Ceylon. Ze kunnen een lengte bereiken van ten hooste 50 centimeter.

Tenslotte is er de Ancistrodon halys of halys-adder, die tamelijk veelvuldig voorkomt in Midden-Azië. Hij wordt in het bijzonder gevreesd door de herders, omdat hij mensen en de grazende dieren dikwijls aanvalt en daarbij vele slachtoffers maakt.


Bamboe-ratelslang (Trimeresurus Gramineus)
Bamboe-ratelslang (Trimeresurus Gramineus)

Bamboe-adder

De bamboeadder leeft onder de familienaam Trimeresurus gramineus, een benaming die vroeger voor alle groene Bamboeadders gold die vanaf 1802 beschreven zijn. Door de verschillende decennia heen zijn de verschillende bamboeadders steeds verfijnder gedetermineerd.

Op dit moment (anno 2008) zijn er iets meer als 20 soorten waarvan T. graminies er één van is. T.graminies is een bamboeadder die momenteel uitsluitend voorkomt in Zuid – India. Trimeresurus albolabris (waar het in dit artikel over gaat), de bamboeadder welke ook op de afbeelding te zien is, is de meest voorkomende en bekendste bamboeadder. T. albolabris komt voor in de volgende gebieden: Zuidwest-Azië, van India tot aan Indo-China en van het schiereiland van Malakka tot aan de Soenda-Eilanden.

De kop van de bamboeadder tekent zich sterk af tegen het lichaam, aangezien de kop een sterke driehoeksvorm heeft, welke te vergelijken is met de punt van een pijl. De kop is aan de bovenkant bedekt met kleine ronde schubben. Deze kleine schubben zijn alleen te vinden op de kop van de bamboeadder, de rest van het slangenlichaam heeft de gebruikelijke, overlappende schubben welke bij alle slangen voorkomen.

Op het lichaam zijn vage, donkere ringen te onderscheiden. Dit is alleen goed te zien wanneer de adder net heeft gegeten (de huid tussen de schubben wordt dan zichtbaar, en is om en om donker, licht geringd.).

Ook is de bamboeadder uitgerust met een grijpstaart, die voorzien is van een dakpanrode lijn die sterk aftekent tegen de bladgroene kleur van het dier. Het dier kan afmetingen hebben van 80 tot 100 centimeter en is geelachtig-groen van kleur.

De bamboeadder leeft overwegend in de takken van struiken, alhoewel het dier af en toe ook in bomen te vinden is. Wanneer het dier zich in struiken bevindt, zal het zich aan een hoogte van 1 tot 3 meter houden, daarboven komen ze zelden.

Deze adder is giftig en gevaarlijk voor mensen, alhoewel er weinig dodelijke beten beschreven zijn.



Groen-gele haboe (Trimeresurus flavoviridis)
Groen-gele haboe (Trimeresurus flavoviridis)

Groen-gele haboe

Veel meer te duchten - omdat zijn beet vrijzel weker de dood tot gevolg heeft - is de tot hetzelfde geslachte behorende groen-gele haboe (Trimeresurus flavoviridis). Hij hoort thuis op de Rioe-Kioe-Eilanden. Hij heeft een fors lichaam en kan een lengte van wel 1.50 meter bereiken.


Bosmeester (Lachesis Muta; ofwel surucucu)
Bosmeester (Lachesis Muta; ofwel surucucu)

Bosmeester

Een van de bekendste slangen van Midden-Amerika en van de tropische streken van Zuid-Amerika is de bosmeester (Lachesis muta) die in Brazilië surucucu wordt genoemd. Hij is een ware reus onder de groefkopadders. Hij kan meer dan 3 meter lang worden, hoewel het gemiddelde ongeveer 2.50 meter is. Bovendien is hij uitermate giftig.

Deze slang verdient ten volle de bijname 'schrik van de bossen' en 'meester van het kreupelhout', waarmee hij gewoonlijk wordt aangeduid door de inheemse bevolking, die hem vreest.

De 'bosmeester' heeft een grote, enigszins gedrongen kop, met een stompe punt. Zijn tanden lijken op echte slagtanden, waarmee hij 3 cm diepe beten kan toebrengen. Ieder mag zelf bepalen of hij inderdaad het monsterachtige uiterlijk heeft dat men hem gewoonlijk toeschrijft. Zijn prikkelbare en agressieve aard hebben hem de reputatie van 'verspreider van de dood' bezorgd. De betekenis van zijn werkelijke naam daarentegen is terug te brengen op het ontbreken van de ratel aan zijn staart.

De kleur is roze-geel op de rug, met ruitvormige bruine vlekken. Hij is wat lichter op de buik. Ook de gebruikelijke donkere vlek van het oog naar de hoek van de bek is aanwezig.

Deze groefkopadder, die hoofdzakelijk 's nachts actief is, verblijft bij voorkeur in dichte en ondoordringbare wouden langs de oevers van grote rivieren. Gewoonlijk voedt hij zich met amfibieën, jonge vogeltjes en kleine zoogdieren. Als hij niet wordt gestoord, valt hij de mens niet aan. Maar als hij de minste dreiging meent te merken, reageert hij heftig. Dan gaat zijn staart omhoog en schiet zijn kop bliksemsnel naar boven. Als hij bijt, is door de diepte van de wond en de hoeveelheid ingespoten gif de beet van 'de schrik van de bossen' bijna altijd dodelijk.

In tegenstelling tot de andere groefkopadders (ratelslangen) is de 'bosmeester' eierleggend.

Bothrops

In het midden en zuiden van de Verenigde Staten, in Mexico en op enige eilanden van de Antillen komt een ander geslacht van de familie van de groefkopadders voor, namelijk het geslacht Bothrops. Deze slangen onderscheiden zich door de aanwezigheid van schubben op de kop en door het ontbreken van de ratel.


Lanspuntslang (Bothrops Atrox)
Lanspuntslang (Bothrops Atrox)

Lanspuntslang

Bekend onder de naam lanspuntslang is het soort Bothrops Atrox. Ze verblijven gewoonlijk in vochtig struikgewas. Dikwijls dringen ze de suikerrietplantages binnen. Daar vinden ze overvloedig voedsel in de vorm van knaagdieren, die gewoonlijk in grote getale op deze plantages voorkomen.

De lanspuntslang wordt 1.80 meter tot twee meter lang. Zijn bek is plat, spits toelopend als een lans. De bek is enigszins naar boven gebogen. Zijn lichaam is dik en log en bedekt met schubben met uitsteekseltjes. Hij heeft zeer veel verschillende kleuren: van grijs-bruin tot olijfachtig-geel of bruin-rood, met dwarsstrepen en driehoekige bleke vlekken met een donkere rand op de rug. Hij is geel met bruin gevlekt op zijn buik.

De lanspuntslang kan goed zwemmen en beweegt zich ook op de grond zeer behendig. Overdag gaat hij niet op zoek naar een prooi. Hij ligt echter altijd op de loer, klaar om toe te bijten. Als hij aanvalt, stort hij zich bliksemsnel op zijn slachtoffer en trekt zich daarna terug in zijn afwachtende houding. Zijn voedsel bestaat uit hagedissen, muizen, kippen en andere kleine dieren. Deze zeer gevaarlijke slang brengt dikwijls dodelijke wonden aan de mens toe. Zijn beet veroorzaakt akelige stuiptrekkingen en bloeduitstortingen in verschillende organen.

Als gevolg van zijn bijzonder grote vruchtbaarheid (elk wijfje krijgt elke keer tegen de 70 jongen) is de lanspuntslang in groten getale aanwezig in zijn woongebieden. Daarom werden enkele tientallen jaren geleden farao-ratten (hun natuurlijke vijanden) overgebracht naar het eiland Martinique, waar deze slang in werkelijk zorgwekkende aantallen op de plantages voorkwam.
© 2007 - 2009 Hikari, gepubliceerd in Reptielen (Dier en Natuur) op 01-07-2007, laatst gewijzigd op 04-02-2008. Het auteursrecht van dit artikel ligt bij de infoteur. Zonder toestemming van Hikari is vermenigvuldiging van dit artikel verboden. Meer...

Verwante artikelen


Reageer op het artikel "Reptielen: Amerikaanse copperhead, bamboe-adder e a"


Er zijn nog geen reacties geplaatst op dit artikel.