Reptiel en Reptielen

Reptielen: groefkopadders (ratelslangen)

Vele mensen komt de naam groefkopadder zeer onbekend voor. Maar wanneer men spreekt over een ratelslang, begint bij iedereen een lichtje te branden. Toch, zijn groefkopadders en ratelslangen één en dezelfde soort. In dit artikel meer over de zeer indrukwekkende, zeer giftige, ratelslangen van de familie crotalidae.


Familie van de ratelslangen (Crotalidae)

In Amerika en in Indonesië en Maleisië leven ongeveer 60 soorten slangen, die behoren tot de familie van de groefkopadders of ratelslangen (Crotalidae). Alle zijn zeer giftig, of ze nu op het land, in de bomen of half in het water leven. Deze familie is zeer nauw verwant aan de familie van de adders. Over het algemeen is hun lichaam dik, hun kop afgeplat en dikwijls driehoekig en is hun staart meestal kort.

Giforgaan

Deze slangen, die tot de meest gevreesde ter wereld behoren, hebben een ingewikkeld en goed ontwikkeld giforgaan, dat verbonden is met de merkwaardige structuur van beenderen in de schedel. De botten van de bovenkaak, die heel kort en beweeglijk zijn, hebben elk een giftand.

Ze zijn mte het andere schedelgebeente door middel van gewrichten zodanig verbonden, dat ze bijna verticaal opgeheven kunnen worden. Daardoor kunnen de tanden, die onbeweeglijk in het voorste gedeelte ingeplant zijn, van achteren naar voren een boog van ongeveer 90 graden beschrijven.

Bijten

Als de lang wil bijten, spert hij zijn keelgat open. De bovenkaak gaat dan zo ver omhoog, dat hij met de onerkaak een hoek van tenminste 150 graden vormt. Dan gaan tevens de tanden omhoog, die daarna met een vaste en krachtige beweging in het vlees van het slachtoffer worden gestoten. De giftanden zijn buisvormig en staan naar achteren gebogen. Ze worden voor een groot deel omsloten door de 'bekspier', die naar achteren glijdt wanneer het dier bijt.

Het gifkanaal dat in de lengte door de tand loopt, heeft 2 uitmondingen: 1 bij de tandwortel en 1 iets achter de punt. Waneer de tand bij het openen van de bek met de beweging van de bovenkaak mee naar boven wordt verplaatst, bevindt de bovenste opening zich onder de afvoerbuis van de gifklier. Door de onderste opening wordt dan het dodelijke vocht in de wond van het slachtoffer gespoten.

Giftanden

De giftanden zijn spits en stevig, zodat ze gemakkelijk in een zacht lichaam kunnen binnendringen. Als ze echter op een hard of stevig oppervlak terechtkomen, kunnen ze breken. dan is de slang echter niet meteen zijn verschrikkelijke wapen kwijt. In de bovenkaak zitten namelijk andere tanden die ook voorzien zijn van een gifkanaal. Die tanden zijn zodanig geplaatst, dat ze de tanden die door uitvallen of breken niet meer te gebruiken zijn, kunnen vervangen. Behalve de in gebruik zijnde giftanden en de reserve-giftanden, hebben de ratelslangen nog een groot aantal scherpe tandjes zonder gifkanaal in het gehemelte en in de onderkaak, die dienen om de prooi vast te houden.

De weg van het gif

De groefkopadders of ratelslangen hebben over het algemeen 2 gifklieren, die aan beide kanten achter het oor liggen. Ze zijn anders van structuur dan de speekselklieren, aangezien ze zijn samengesteld uit een groot aantal kleine buisjes, die samenvloeien in een grote afvoerbuis, die uitmondt in de spierbundel van de tand, dichtbij de bovenste opening. De klieren zelf hebben geen eigen spierstelsel. Als de slang zijn slachtoffer met de tanden beetpakt - en dan natuurlijk zijn bek openspert - drukken enkele van de spieren die hij daarbij gebruikt de gifklier samen. Die sipieren werken op een zodanige manier, dat het gif naar het gifkanaal in de tand stroomt. Het gif drinft door de beet in het onderhuidse weefsel van het slachtoffer. Het komt dan terehct in de bloedsomloop via het onderhuidse weefsel. Het kan echter ook gebeuren dat het direct in de bloedsomloop wordt gespoten en dan heeft het gif een uitermate snel effect.

Soorten

De soorten die tot de familie van de ratelslangen of groefkopadders behoren, zijn verwant aan de adders. Ze onderscheiden zich echter van de adders doordat ze aan beide kanten van de kop een diep kuiltje hebben. Dat ligt tussen het oog en het neusgat en staat in verbinding met de zenuwen. Ze hebben dus een 'gegroefde' kop, vandaar de naam.

De groefkopadders hebben bovendien als speciaal kenmerk, dat hun ogen pupillen hebben met een verticale spleet. Ze hebben een dikke kop, die ovor het grootste deel bedekt is met in enkele gevallen slechts enkele - gewoonlijk vier - grote hoornachtige plaatjes en in andere gevallen met meer kleine schubben.

De ratel

Bij sommige geslachten van de familie van de groefkopadders of ratelslangen eindigt de staart in de zogenaamde ratel, die bestaat uit een rij hoornachtige ringen of liever gezegd kleine kapjes, die in elkaar grijpen. Ze vormen de bekleding van de staart en blijven bij elke 'vervelling' bewaard, zodat de ring aan de punt van de staart de oudste is. Niettemin kan men uit het aantal ringen niet de leeftijd van de slang afleiden. Ondanks het feit, dat er per jaar 2 of 3 van die ringen ontstaan, komen slangen met ratels van meer dan 10 of 12 ringen zelden voor. Dat komt doordat er veel slijten of breken.

Wanneer het dier kruipt, stoten de hoornachtige ringen tegen elkaar aan. Dit veroorzaakt het ratelende geluid, waaraan deze slang zijn naam te danken heeft.

Levensstijl

De ratelslangen zijn over het algemeen nachtdieren. Ze brengen de dag door verborgen tussen struiken en temidden van stenen. Bij voorkeur zoeken ze een plaatsje in de zon. Enkele echter klimmen liever in bomen en slingeren zich om de takken, waaraan ze zich in vorm en kleur aanpassen. Andere tenslotte zijn zeer vaardige zwemmers en verblijven aan de oevers van rivieren.

De soorten die op het land leven, jagen op vogels en vele sooren kleine zoogdieren. De kleine bosbewoners, die gewoonlijk het slachtoffer worden van de ratelslangen, lijken gek te worden van schrik en angst, zodra ze merken dat zich één van de dood en verderf zaaiende belagers nadert. Ze zoeken dan op de een of andere manier een schuilplaats. Maar angst is dikwijls een slechte raadgever en de verlammende schrik maakt hun bewegingen dermate langzaam, dat ze in plaats van zich in veiligheid te stellen, een gemakkelijke prooi van de slangen worden.

Levendbarend

De slangen zijn levendbarende dieren. De voortplanting verloopt bijna net zoals bij de gewone adder. Het ongeboren jong verblijft gedurende zijn gehele ontwikkelingstijd in het ei, binnen het moederlichaam. De jongen komen uit het ei vóór of onmiddelijk nadat het vrouwtje de eieren zou leggen of net gelegd heeft.

Link

Wanneer u deze link aanklikt, komt u op een site uit welke alles vertelt over reptielen.
Met toestemming heeft de beheerder van racboa.nl dit artikel ook op zijn site kunnen plaatsen.
© 2007 - 2008 Hikari, gepubliceerd in Reptielen (Dier en Natuur) op 29-06-2007, laatst gewijzigd op 01-03-2008. Het auteursrecht van dit artikel ligt bij de infoteur. Zonder toestemming van Hikari is vermenigvuldiging van dit artikel verboden. Meer...

Verwante artikelen


Reageer op het artikel "Reptielen: groefkopadders (ratelslangen)"


Er zijn nog geen reacties geplaatst op dit artikel.